Waar is het boekje te vinden, waar en wanneer kwam het uit?
Voor
ik in detail op het boekje ‘van’ Tonis Harmansz. inga, is
het misschien goed eerst een korte schets te geven van de tijdsomstandigheden
waarin het tot stand kwam.
De
tachtigjarige oorlog, meestal gedateerd van 1568 tot 1648, mag dan volgens
het merendeel van de latere geschiedschrijvers nodig geweest zijn om de
Hollanders hun terecht opgeëiste vrijheid terug te geven, voor de
meeste toen levende katholieken, vooral de geestelijken, bracht hij een
zware geestelijke crisis in hun leven. Terwijl zij in hun jeugd geleerd
hadden vóór alles trouw te blijven aan de paus van Rome
en de koning van Spanje, kwamen ze in eenzelfde spanning terecht die ook
Willem van Oranje gekend moet hebben. Als de paus en de keizer dwingelanden
worden, heb je dan het recht hun gezag af te zweren? Achteraf vinden wij
natuurlijk van wel, maar aan het eind van de zestiende eeuw waren er heel
wat katholieken die zich door de opkomende protestanten die de paus ontrouw
werden en de ‘geuzen’ die bovendien de keizer (in hun tijd:
de koning) niet langer erkenden, overvallen voelden. De meesten wilden
de Prins wel steunen in zijn verzet tegen de “tyranny”, maar
veel Rooms-Katholieken wilden hun geloof niet opgeven en kozen óf
voor een soort humanistische tolerantie óf voor een soort lijdelijk
verzet door zich meer naar binnen te keren en het openbare leven aan anderen
over te laten. Veel te kiezen hadden ze trouwens niet: wie niet de kant
van de nieuwe vroedschap koos, werd automatisch uitgeschakeld. In Noord-Holland
bleven de meesten katholiek, maar de ambten gingen naar de protestanten.
Zo bijvoorbeeld de zusters en broeders van het Gemeene Leven, onder wie
leraren van de Latijnse School, in en rondom het Margarethaklooster in
Amsterdam die zichzelf ‘modern’ genoeg vonden en van wie Tonis
Harmansz. er waarschijnlijk een is geweest. Zij waren de ‘bedroefde
herten’ door wie en voor wie het boekje geschreven en uitgegeven
werd. Bij de overgang van Amsterdam naar de Hervorming en naar de leiding
van Willem van Oranje (de Alteratie) in 1578 kwamen zij in het nauw. Naar
hen en naar het tot hen gerichte ‘suyverlick boecxken’ dat
verscheen bij drukkerij Muller, gaat in deze uitgave onze aandacht uit.
Dr.
J. A. N. Knuttel beweert in zijn algemeen gewaardeerde boek (Het Geestelijk
Lied in de Nederlanden vóór de Kerkhervorming, Rotterdam
1906, herdruk Groningen-Amsterdam 1974) op blz. 76, dat er, voor zover
hem bekend, nog maar drie exemplaren zouden bestaan van het ‘uiterst
belangrijke’ bundeltje ‘van’ Tonis Harmansz., twee in
de Koninklijke Bibliotheek en een in de verzameling Scheurleer van het
gemeentemuseum in Den Haag.
Het eerste en tot voor kort als oudste beschouwde exemplaar heeft nummer
839 D 21, ik noem het verder A en de door mij bijgeleverde facsimile-tekst
is er een afdruk van (fotokopie 1703 H 8 K10). De naam en de plaats van
de uitgever staan er duidelijk op ver-
meld: Amstelredam ten huyse van Harman Jansz Muller in de Warmoes-straet in
den vergulden Passer. Maar géén jaar van uitgave! Op de titelpagina
staat een houtsnede van Jezus die een zieke (blinde?) geneest. Het tweede
exemplaar is misschien van nog oudere datum (daarover verderop), heeft nummer
UW 1712 E2, vroeger 683 AB (fotokopie174 C 25), en komt uit de zogenaamde
verzameling Bogaers. Deze boekenliefhebber was dichter, jurist en taalkundige
en leefde van 1795 tot 1870. Op de titelpagina ervan staat een houtsnede voorstellende
Jezus opstaand uit zijn graf, terwijl de vrouwen (of toch Petrus en Johannes?)
toezien. Jezus heeft het gelaat als een zon en is gevleugeld. Op dit exemplaar
(B) staan noch de drukker noch de plaats en het jaar van uitgave vermeld.
Ik kom erop terug. Het derde exemplaar (C) is misschien van even oude datum
als A en verbleef in de verzameling van Dr. D. F. Scheurleer, De titelpagina-voorstelling
ervan is zeer bijzonder: niet religieus, maar voorstellende een leeuw in een
mooi landschap met bergen. Het heeft nummer 3 C 29 (fotokopie nr. 1097). De
tekst op de voorbladzijde is gekalligrafeerd. Meer daarover in hoofdstuk
VI.
Alle
drie de boekjes zijn even groot (9 x 13,5 cm) en even dik (tachtig pagina’s).
Men denkt dat ze betrekkelijk klein van formaat zijn wegens de papierduurte,
maar misschien ook om het boekje schuil te kunnen houden of omdat het alleen
voor individueel gebruik bedoeld was. De buitenkant, de kaft dus, is niet
oorspronkelijk en van alle drie verschillend. Men kan al direct constateren
dat ze alle drie ook inwendig verschillend zijn: A heeft op blz. IX middenin:
Confessoren, B op blz. IX: Cofessoren en C op blz. IX: Confessooren. Het Scheurleer-exemplaar
(C) werd in l933 met de hele verzameling van deze Haagse bankier en muziekhistoricus
(1855-1927) naar de KB overgebracht. In A en B staan 36 liederen, maar in
A staat een soort vooraf-lied (Nu laet ons allegaer danckbaer zijn, no. 1)
dat in B en C ontbreekt. In B is het lied van de Soudaensdochter (no. 11)
ingekort om ruimte te maken voor een in A ontbrekend lied: ’Ick heb
vercooren dat beste goet’, zodat het totaal toch op 36 komt. Ook in
C ontbreekt het voorlied dus, maar daar wordt het niet gecompenseerd, zodat
C 35 liederen heeft en niet 36.
Volgens
Knuttel ‘blijkt’ Tonis Harmansz. een bekende persoon te zijn geweest,
maar mij is onduidelijk waarop hij dit baseert. Zou hij de tweede persoon
die op de titelpagina wordt genoemd -`vermaert ende gheleert’- met hem
verwarren? Op die pagina wordt Tonis ‘salighe’ genoemd, wat volgens
van Mierlo ‘wijlen’ betekent. Inderdaad, ook wij kennen van bidprentjes
nog de term ‘de ziel van zaliger’. Dat schijnt een verkorting
te zijn van ‘zaliger gedachtenis’. Hij was dus reeds gestorven
toen het boekje, althans in deze volledige vorm, werd uitgegeven. Knuttel
besefte al, dat niet alle opgenomen liederen van Tonis Harmansz. konden zijn,
ook niet die van het eerste gedeelte. Daarover meer in hoofdstuk
III.
Inmiddels
is mij via Internet en via persoonlijke bezoeken duidelijk geworden, dat er
op de (universiteits)bibliotheken in Nijmegen (3x), Utrecht, Amsterdam (3x:
UBM 976 C9 met: Jezus vermaant zijn leerlingen, UBM OK 91-60 met: Jezus vermaant
de schriftgeleerden en UB 24 35 E7 met: Jezus geneest een zieke), Leiden en
Gent (2x) ook nog exemplaren van het boekje zijn. In het derde exemplaar van
de UB Amsterdam (UB 24 35 E 7) staat bijgeschreven dat er ook in Alkmaer in
1627 een uitgave is geweest, toenmaals te koop bij Baert op de Langestraat.
Eén zeer bijzonder exemplaar berust in staat van ontbinding in het
Rijksmuseum van Amsterdam, waarover meer in hoofdstuk VI. Totaal kom ik op
ongeveer 14 teruggevonden boekjes.
Het
jaar van uitgave staat nergens op of in het boekje, tenminste niet op
de oudere exemplaren ervan. Wel op die van Mullers schoonzoon Cool -zie
hoofdstuk I-: 1643. Maar de naam van de uitgever wordt op A en C bijvoorbeeld
duidelijk vermeld: ten huyse van Harman Jansz Muller in de Warmoes-straet
in den vergulden Passer. Deze had de drukkerij in de Warmoesstraat (eerder
Kerckstraet geheten) overgenomen van zijn vader Jan Ewoutsz. In het overzicht
over Mullers drukkerij van Bouman en Vriesema (1978) wordt gesteld, dat
alle uitgaven waarop staat: `ten huyse van` vóór Mullers
naam van latere datum zijn, zelfs van na 1617, omdat ermee wordt aangeduid
dat de drukkerij was overgedragen aan de erfgenamen (Muller stierf in
1617.). In de oudere drukken staat volgens hen: `woonende` achter de naam
van Muller. Men kan dan spreken van twee nogal uiteenliggende periodes
van uitgave: die van rond en na 1580 en die van na 1617. Als dat juist
is, dan zijn KB A en KB C van ver na 1600, want daarop staat ‘ten
huyse van…,’ en dan zou juist KB B ouder kunnen zijn, want
daar staat helemaal geen verwijzing naar de drukker of zijn erfgenamen
op. Dat er op B geen drukker en geen plaats van uitgave vermeld worden
- zijn die al bij het drukken weggehouden of later weggewerkt?- zou er
op kunnen wijzen dat dit exemplaar uit de tijd stamt dat Muller niet uit
de kast wilde komen met dit roomse boekje vanwege zijn, althans voor de
buitenwereld, protestantse gezindheid sinds de Amsterdamse Alteratie.
B zou dan van kort na 1600 kunnen zijn, de tijd van de doorvoering van
de Hervorming in Amsterdam. Zijn daarom de drukkersnaam en de plaats van
uitgave weggelaten, omwille van de veiligheid dus of uit overtuiging?
Van vóór 1600 kan niet, want de eeuwvermelding (die wél
in het boekje te vinden is!) is duidelijk aangepast: “boven/over
sesthien hondert jaer” staat er drie keer. Ook daarop kom ik terug.
Er is nóg een aanwijzing dat er twee periodes van uitgave zijn
geweest: op alle boekjes met “woonende” staat “tot troost
van…”, op die met “ten huyse van” staat “tot
profyt van…”. Op KB B staat ‘troost’, waardoor
dit exemplaar tot de eerste serie lijkt te behoren. De uitgave daarvan
begon waarschijnlijk in de zeventiger jaren (zie de volgende alinea) maar
liep kennelijk door tot na de eeuwwisseling.
In
Nijmegen (UB) zijn twee exemplaren met `woonende` (20 C 186, 2 en MFL
126, 2) en ook in Amsterdam (UB) zijn er twee (OK 91-60 en 976 C 9). Muller
zelf, vanaf 1568 als drukker actief, had zijn drukkerij van 1571 tot 1615
(met een korte onderbreking) in de Warmoesstraat tussen de St. Jansstraat
en de St. Annastraat en werd volgens Moes-Burger (‘De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers
in de zestiende eeuw’, vier delen, Amsterdam -’s-Gravenhage
1896 -1915, herdruk 1988) in 1578 bij de Alteratie inderdaad protestant.
Pro forma en om den brode? Dat hij inwendig niet met de Hervorming meeging,
leid ik af uit zijn nadrukkelijke wens dat hij onder klokgelui begraven
zou worden, wat onder druk van protestanten verboden was sinds de Alteratie.
Het is dus waarschijnlijk dat het zeer katholieke boekje ‘van’
Tonis Harmansz. als uitgave van drukker Muller zelf in eerste instantie
vóór (eventueel: rond) het jaar 1578 verscheen en in tweede
instantie als uitgave van zijn erfgenamen geruime tijd erna, toen de kust
veilig was en zij er opnieuw brood in zagen. En zeker niet eerder dan
1571, want het tweede lied gaat op de wijze van het Wilhelmus en dat is
gemaakt in het voorjaar van 1571 volgens de laatste onderzoekingen van
van Doorn, Maljaars en Hofman (zie hierover `het Wilhelmus` op Internet).
Bovendien begon Muller volgens Bouman en Vriesema pas vanaf 1576 zijn
adres te vermelden op wat hij drukte. De eerste uitgaven van het boekje
liggen, als het drukkersadres erop staat, dus mogelijk tussen 1576 en
ongeveer 1580, wanneer we er tenminste van uitgaan dat Muller daarna zijn
naam er niet meer aan wilde wagen. Het uitgever- en adresloze B-exemplaar
van ná 1600 is dan nog adresloos uit voorzichtigheid. De `benauwde`
jaren van de Amsterdamse katholieken liggen ook rond 1578 en voor hen
is het boekje bedoeld. Wat er daarna tot en met de eeuwwisseling uitkwam
vertoonde waarschijnlijk de naam en de plaats van de drukker niet. De
tweede serie uitgaven is dan van na 1617, toen de erven Muller aan het
bewind waren: ze zijn te herkennen aan “ten huyse van…”.
Het derde exemplaar van de Amsterdamse UB (24 35 E7) behoort daar duidelijk
toe. Het is ingebonden in een oude perkamenten band samen met drie andere
geestelijke werkjes. De eerste twee zijn resp. van 1583 (gedrukt te Antwerpen)
en 1582 (een door Coornhert vertaalde beschouwing over de gehoorzaamheid)
maar na het suyverlick boecxken volgt als vierde een bijbels verhaal uit
1617! Ook het derde Nijmeegse exemplaar is onderdeel van een convoluut
(=verzamelband; AR 638, 2): het heeft ‘ten huyse van’ en ‘profyt’
en is dus van de tweede serie uitgaven.
Er
is nog een andere aanwijzing, dat bepaalde exemplaren van het boekje van
vóór, andere van ná 1600 zijn: in twee liederen,
nr. 2 (2x) en nr. 6, komt een aanduiding van de eeuw van schrijven voor:
meer dan vijftien honderd óf meer dan zestien honderd jaar na het
begin van het Roomse geloof. Men ging er toen kennelijk vanuit dat het
ontstaan van het katholieke geloof samenviel met het begin van onze jaartelling.
Deze aanpassing kan volgens Martine de Bruin (“Bevroren Boekjes”
in: Veelderhande Liedekens, Antwerpen 1997, blz. 74-77) in sommige exemplaren
echter ook door onoplettendheid van de uitgever achterwege gebleven zijn,
zodat men alleen kan stellen, dat de boekjes met ‘sesthien hondert’
zeker van ná 1600 zijn, meestal dus van na 1617. Het kan m.i. ook
zo zijn, dat de correctoren de aanpassing niet nodig vonden omdat ze de
schrijver of schrijfster vanuit hun eigen tijd wilden laten spreken.
Het
boek van Moes-Burger geeft nog meer gegevens over de drukker. Hij gaf
vóór 1578 boekjes uit die inhoudelijk overeenkomen met dat
‘van’ Tonis Harmansz., soms overgenomen uit Antwerpen, soms
met Latijnse én Nederlandse liederen, o.a. van Petrus Apherdianus
(Pieter van Afferden) en uit de kring van de Rederijkerskamer In Liefde
Bloeyende.
Om precies te zijn: Bij Willem Jacobsz verschenen in 1553 en 1554 Latijnse
schoolgedichten (met notenbalken) door leraren van de Latijnse School
aan de Nieuwe Zijde van Amsterdam. Bijvoorbeeld van Cornelius Haecmundanus
Parathalassius (dus: Cor van Egmond aan Zee!). Daarin stonden klachten
over het tijdsgewricht van toen. Daarna verschenen bij Muller in 1572,
1573 en 1574 dergelijke klachtliederen in het Latijn (in gotische letters,
wat toen voor Latijnse teksten ongebruikelijk was geworden). Deze waren
gemaakt door de beroemde Petrus Apherdianus, rector van de Latijnse school
aan de Oude Zijde (voormalig conrector van de Nieuwe Zijde) en daarna
van de Nieuwe Zijde van 1561 tot midden 1578 (de Alteratie). De naam van
deze schrijver en het jaar van uitgave worden op deze edities wél
nadrukkelijk vermeld. Er is een bibliografie met levensoverzicht van deze
belangrijke humanist verschenen, verzorgd door Bob en Maria de Graaf in
1968, omdat zij vonden dat er veel te weinig aandacht is geschonken aan
deze grote figuur, die alleen al om zijn veelgebruikte en didactisch verantwoorde
Latijnse grammatica ook buiten ons land zeer bekend was (Tyrocinium linguae
Latinae, 1e editie Keulen 1545). Hij leefde van circa 1510 tot bijna aan
het einde van de zestiende eeuw en was én humanist én fervent
katholiek, eerst rector van de Latijnse school van Harderwijk, later van
die van Amsterdam (aan beide ‘sijden’’). In een van
zijn vele edities bij Muller, die van 1574 (Precatio hominis decumbentis),
staat een gedrukte opdracht in verzen aan Johannes Canisius, prior van
het Margarethaklooster in de Amsterdamse Nes in die tijd. Er was dus contact
tussen de Latijnse school en dit klooster via deze geleerde en bekende
rector.
Van
deze Petrus Apherdianus verschenen in 1575 en 1576 resp. een Latijnse
exhortatie (=vermaning) en een ode (= loflied) op de onsterfelijkheid
van de ziel. Typisch de sfeer van het ‘suyverlick boecxken’,
maar dan in het Latijn. In 1577 verscheen -weer bij Muller- van dezelfde
geleerde een elegische ode (=klagend lofdicht) over ‘de grote dag
van het laatste oordeel’ en in 1580 alleen met de initialen P. A.
weer een Latijns klaaglied. In het exemplaar van dit laatste werkje in
het Brits Museum staat een uiteraard later ingeschreven opdracht in verzen
aan Gerardus Hadriani (Gerbrandt Adriaansz. Bredero?), musarum patronus,
dus de patroon van de Rederijkerskamer. Opvallend is, dat de schrijver
van dit boekje dus wordt aangeduid met slechts `P. A.`. In Amsterdam mocht
na 1578 zo’n Roomse schrijver zich kennelijk niet meer met naam
en toenaam presenteren. Een overledene (b.v. de salighe Tonis) kon niet
meer worden vervolgd. Zou de anonieme ‘vermaerde ende gheleerde‘
man van de titelpagina van Tonis’ boekje misschien ook Petrus Apherdianus
zijn geweest? Ik vermoed (maar bewijzen kan ik het niet) van wel. Dan
zou het boekje dus in eerste (volledige) uitgave inderdaad van circa 1580
zijn, want toen moest Apherdianus kennelijk buiten beeld blijven en was
Tonis Harmansz. waarschijnlijk nog niet zo lang daarvoor overleden. De
vermaarde en geleerde man leefde bij de uitgave nog, bij hem staat niet:
‘salighe’ of iets dergelijks. Pieter van Afferden kende ook
goed zijn moedertaal, zoals blijkt uit de Antwerpse uitgave van zijn Tyrocinium
(1560); een groot dichter was hij niet, zijn uitgegeven epigrammen (opschriftgedichten)
waren erg gekunsteld.
Apherdianus is oud geworden in Amsterdam. Er zijn na 1580 geen nieuwe
werken van hem meer gepubliceerd (wel herdrukken) en daarom stellen Bob
en Maria de Graaf zijn sterfjaar op ongeveer 1580. Volgens Moes-Burger
(blz. 233) bleef hij echter nog lang wonen in het huis Absalon (=Absalom)
in de Pijlsteeg, een huis dat hij huurde van de familie Muller, in elk
geval tot 1583. Hij schijnt Vondels leraar Plemp nog te hebben opgeleid.
Cornelis Gijsbertus Plemp, geboren in 1574 te Amsterdam, was leerling
op de Latijnse School aan de Nieuwe Zijde en week uit naar Haarlem samen
met de oud-rector van de Oude Zijde Simon Sovvius pr. (1553-1625, evenals
zijn jonggestorven broer Bartholomeus afkomstig uit Souwen (bij Haarlem,
niet uit Wervershoof!) die hem gedichten liet maken. Om zoals Plemp leerling
van Apherdianus te zijn, moet je wel tussen de tien en de twintig wezen!
Misschien heeft P. A. de jaren negentig gehaald.
In
1587 verscheen er bij Muller nog een troostboekje van Broeder Anthonis - met
h - van Hemert uit (er staat: by!, zie het volgende hoofdstuk) Eindhoven ‘voor
zijn zuster(s)’. Ook deze figuur schijnt ‘vermaert en gheleert’
te zijn geweest en zou dus ook kunnen hebben meegewerkt aan Tonis’ boekje.
En Muller gaf na 1600 een Latijns-Duytsch (=Nederlands) boekje uit met achterin
voortbrengselen van In Liefde Bloeyende, een van de Amsterdamse Rederijkerskamers
(Knuttel, blz. 78). Daarin staat b.v. het jubeljaarlied van Spieghel. Er waren
dus Muller-contacten met In Liefde Bloeyende (= d’Egelantier) en met
het Margarethaklooster. Daarover meer in hoofdstuk
IV.
Hiermee
zijn we dichter bij het milieu van (na) Tonis Harmansz. gekomen. De zojuist
genoemde Rederijkerskamer kwam rond 1600 bijeen op de zolder van de kapel
van de zusters van de Gansoirde in de Nes te Amsterdam (tegenwoordig ‘De
Brakke Grond’), het Margarethaklooster. In de geschiedenis van dit pand
(een uitvoerig artikel hierover is te vinden op Internet) komen we meer te
weten over de roerige tijd in Amsterdam rond 1578. Zie ook daarvoor hoofdstuk
IV.
In een
boeiend artikel heeft A. M. J. van Buuren (Middeleeuwse Lyriek in de Lage
Landen, 1992, ook op Internet) beschreven hoe in de gemeenschapshuizen
van de zusters van het Gemeene Leven, waartoe ook dat van de Nes behoorde,
liederen zoals in het boekje van Tonis Harmansz. staan, werden gemaakt
als contrafacten. Dat zijn `suyverlicke` (= hoogstaande, keurige) liederen
op bekende, profane melodieën gezet. Hij illustreert dit aan de hand
van wat er bekend is van Dirc van Herxen, rector van de Latijnse School
van Zwolle in de vijftiende eeuw. Deze liet zijn zusters contrafacten
zingen of lezen, voor zichzelf of met elkaar, op de melodieën van
liedjes die ze van huis uit kenden. Wereldse liederen bleven, eenmaal
in de jeugd geleerd, vaak lang hangen in het geheugen, maar mochten in
de geestelijke kring niet gezongen worden. Meestal maakte hij de nieuwe
teksten zelf, vaak met niet erg originele, maar wel nette inhoud.
Ook in het Suyverlick Boecxken wordt bijna steeds verwezen naar wereldlijke
liederen waarvan de `wijse` en dus ook de strofevorm is overgenomen. En
dat het boekje meer aan zusters dan aan broeders gericht was, kan men
herkennen aan b.v. lied no. 6, blz. XV (vierde regel van onderen) waar
`susters en broeders` -en niet andersom- staat (tenzij de volgorde aan
wellevendheid moet worden toegeschreven!), aan lied no. 10, blz. XXIII-XXIV
waar `jonghe maeghden` worden toegesproken en aan lied no. 30, blz. LXV
(zevende regel van onderen) waar het gedicht blijkt gezongen te zijn ter
ere van ‘de -on- getwijfeld geestelijke- Bruydt’.
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
| De NOVA ZEMBLA-tocht, afbeeldingen uit het boek van Gerrit
de Veer |
|
|
|