Nawoord
Hiermee
meen ik de voornaamste gegevens over Tonis Harmansz. van Warvershoef en het
op zijn naam gezette boekje enigszins ordelijk te hebben ondergebracht. Graag
wil ik hier nog iets aan toevoegen over de mogelijk actuele waarde ervan.
Want of Wervershoof al of niet ooit een groot dichter heeft voortgebracht,
is misschien voor velen nog niet eens zo interessant, maar als zo’n
man in zijn tijd iets meemaakte waar wij onszelf en onze angsten in kunnen
herkennen, lijkt hij mij onze aandacht waard. In hoofdstuk IV heb ik beschreven
hoe rond 1585 de weggedrukte protestanten uit het Zuiden in Amsterdam belandden.
De dictatuur van Philips II en die van de Inquisitie waren verantwoordelijk
voor die ellende. Maar in Amsterdam werden bij de Alteratie de oudere geestelijken
en veel Roomsgezinden buiten spel gezet, naar de Diemerdijk verbannen of,
naar verluidt, het IJ opgedreven. Voor de achterblijvers in hun angst en voor hun ‘bedroefde herten’ werden de liederen in het
boekje gemaakt, misschien zelfs dóór hen. Actuele teksten dus
op oude melodieën, waarbij het niet zozeer om artistieke prestatie ging
maar om ‘troost’ of ‘profijt’. Is dit nu nog actueel?
In onze oecumenische tijd drukken katholieken en protestanten elkaar gelukkig
niet meer weg, maar hoe is het met ouders en grootouders die -in hun jeugd
godsdienstig belast- de ‘alteratie’ naar een moderne geestesinstelling
niet kunnen opbrengen en een niet-agressief maar toch bedroefd hart dragen?
Sommige gedichten uit het Suyverlick Boecxken zijn ouderwets agressief tegen
de boze wereld, maar andere stralen een zekere milde verdraagzaamheid en zelfs
een schuldbewustzijn uit, zoals de meeste commentatoren hebben opgemerkt.
Misschien
nog actueler is het lied van de Sultansdochter zelf, eigenlijk een vreemde
eend in de bijt. Omdat het over een moslimmeisje gaat en wél enige
literaire waarde heeft, al heeft Tonis zelf er waarschijnlijk weinig mee te
maken gehad. Of het nu uit de kruisvaarderstijd komt of gemaakt is in de Lepantoperiode,
het gaat over de confrontatie Islam-Christendom. De oplossing is in het gedicht
wel uitermate simpel: bekeer je tot het Christelijk geloof, het liefst in
een klooster. Maar de middeleeuwse schrijver of schrijfster bedoelde iemand
de weg te wijzen naar God en Jezus -dat kan volgens mij nooit kwaad!- en speelde
bovendien in op de bewondering voor de natuur die ook in onze tijd nogal wat
mensen tot religieuze verwondering brengt. Er zit geen pleidooi in voor een
nieuwe kruistocht, het wil geen confrontatie maar integratie, ten onrechte
gelijkgesteld met: overstappen (uit liefde, dat wel, dus niet gedwongen) naar
de autochtone cultuur van het Westerse Christendom. Naïef, maar goed
bedoeld. Van enig respect voor de Islam -zoals bij Franciscus van Assisi in
zijn regel hst.17- is geen sprake: ze weten daar niet eens wie de maker van
de bloemen is! Bovendien wordt soms zelfs Jezus zelf als zodanig gezien in
het gedicht: verwisseling van Vader en Zoon, een theologisch misdrijf, als
ik me goed herinner. Maar om met Vlaar te spreken van ‘gekaapt’
moslimmeisje, dat gaat mij te ver, ik spreek liever van ‘geschaakt’!
Een
beeld van de Sultansdochter geeft inderdaad meer te denken dan een van Tonis
Harmansz.: daar had Kraakman gelijk in. Maar dan niet omdat we van hém
geen identiteitskaart hebben, maar meer omdat zíj onze fantasie prikkelt
en, wie weet, onze verantwoordelijkheid. Zou Meijers idee van een bloemenheuveltje
om haar heen (ze staat er nu wat verwaarloosd bij) niet alsnog kunnen? Ik
schenk 50 euro!
|
|
|