Het Zoudaens Dochterkijn, het gedicht, het volksboek
en de slag bij Lepanto
Petrus
Apherdianus gaf in 1569 in Leiden een boekje uit tegen de aanvallen van
de Turken en de Ketters. Behalve angst voor het protestantisme was er dus
in zijn kring ook angst voor de Islam. In protestantse kring vreesde men
trouwens eveneens de invallen van moslims in Oost Europa. Het zou kunnen
zijn dat dat de aanleiding is geweest om in het boekje ‘van’
Tonis Harmansz. ook een gedicht op te nemen waarin de wereld van Mohammed
aan de orde komt. In 1571 was de slag bij Lepanto geweest. Paus en keizer
versloegen daar onder leiding van Juan van Oostenrijk de Turkse moslims.
Waarschuwen was dus niet meer nodig maar een oproep tot bekering was nooit
weg, b.v. door middel van een exempel, een zgn. historisch voorbeeld waar
men in preken en vermaningen vaak gebruik van maakte. Reeds in 1510 was
bij Frans Sonderdanck ‘bij de oude kerke’ in Delft een volksboek
(=een prozaverhaal) verschenen met het uit Duitse landen afkomstige exempel
van de Soudaensdochter. Het ging over de dochter van een sultan die zich
in de hof van haar vader had afgevraagd wie toch de maker van de bloemen
was. ’s Nachts verscheen haar een ‘scone jonghelinc’ die
zich bekendmaakte als Jezus van Nazareth en haar op haar zoektocht begeleidde
naar een klooster waar ze intrad om aan het einde van haar aardse leven
de Bloemenmaker te ontmoeten. Zoals ik al vermeldde in hoofdstuk I werd
het verhaal in 1904 opgenomen in de bij E. J. Brill in Leiden door dr. G.
J. Boekenoogen uitgegeven serie Nederlandse Volksboeken (nr. IX). Volgens
Fl. van Duyse (deel III blz. 2451), Knuttel en Keuchenius-Tinbergen waren
er in de zestiende eeuw verschillende versies in dichtvorm van het verhaal
in omloop, vooral in Duitsland. Velen (o.a. van Duinkerken) brengen het
terug tot de latere kruistochtenperiode (zelfs tot de dertiende eeuw dus).
In de Nederlanden is het als gedicht voor het eerst aangetroffen in het
boekje ‘van’ Tonis Harmansz.. Vandaar de neiging om althans
de bewerking in dichtvorm in het Nederlands aan hem toe te kennen. Wie heeft
deze tekst gemaakt? Hijzelf misschien of een van zijn ‘bijdra(a)g(st)ers’?
Allerlei varianten -ook in liedvorm- in het Zuiden, vaak via ongedateerde
pamfletten verspreid, kunnen van oudere datum zijn. De indeling in verzen
en dus ook de melodie is in de verdere overlevering volgens van Duyse nogal
verschillend geweest.
Ook
de tekst zelf, zeker die van het slotgedeelte, is in de loop van de eeuwen
verschillend van inhoud geworden. Dat verschijnsel doet zich al voor in
het volksboek, waar de soudaensdochter, als ze eenmaal in het klooster is
ingetreden, in sommige edities een naïef-wonderlijke verhouding met
de abt aangaat. Het lied had een grote verspreiding, het was ongekend populair.
Men heeft de sfeer ervan soms vergeleken met die van de Beatrijs, maar het
enige gegeven dat daarvoor pleit, is, dat beide teksten over een vrouw gaan
die gelokt wordt (als door een vogel, zoals er ook geschreven staat in de
legende van broeder Felix van Heisterbach) haar gewone leven te verlaten
om uiteindelijk de veiligheid van het klooster (terug) te vinden. De Duitse
dr. J. Bolte en in zijn kielzog prof. J. de Vooys hebben 35 varianten gevonden,
merendeels in dichtvorm. Soms is de ‘verlokker’ de Maker van
de bloemen zelf, soms Jezus, soms een engel, soms een vogel. Jezus en God
worden nogal eens verwisseld. De verdere inhoud is ook heel verschillend:
men onderscheidt drie soorten:
- De hoofdfiguur is iemand (man of vrouw, christen of moslim) die op zoek
is naar de maker van de bloemen en een soort geestelijke reis meemaakt
- De hoofdfiguur is een meisje uit verre landen dat door Jezus tot zijn
Vader als maker van de bloemen wordt gebracht.
- De hoofdfiguur is een meisje dat door haar vader is uitgehuwelijkt aan
b.v. de Com mandant van Grosswardein, een bruut, maar door Jezus tijdig
in hemelse veiligheid wordt gebracht.
Deze laatste versie schijnt de oudste te zijn. Die van Tonis Harmansz. sluit
aan bij 1 en 2.
Dr.
J. te Winkel houdt het erop, dat het exempel in prozavorm in het Noorden doordrong
rond 1510. Na de reeds vermelde editie van Sonderdanck verscheen het in 1540
in Amsterdam bij Willem Jacobsz. woonende aan de Oude Sijde in de St. Annastraat
in het huis ‘de Engelenburght’ en waarschijnlijk al eerder bij
Doen Pietersz. zonder jaartal. Ook in liedvorm was het volgens hem (te W.)
rond 1550 algemeen bekend. De melodie kan men vergelijken met die van `Heer
Jezus, mens van vlees en bloed` dat nu nog in de bewerking van Huub Oosterhuis
in de kerken wordt gezongen. Pas tegen het einde van de zestiende eeuw werd
het volgens te Winkel in een gedrukt boekje als dat van Tonis opgenomen, maar
het moet al eerder in omloop zijn geweest. In het Zuiden kende men de inhoud
ook: op 23 september 1520 werd ter ere van Karel V het spel `Amyca of de Makere
der Bloemen` opgevoerd in Antwerpen (het werd in 1924 (!) herhaald door ‘het
Masker’ o.l.v. Eduard Amter) met een vergelijkbare inhoud. De Coussemaker
beweert, dat hij zelf in zijn tijd (rond 1850) het lied nog heeft horen zingen
in de omgeving van Duinkerken en in gemoderniseerde vorm schijnt men het volgens
van Duyse en Knuttel in 1898 in Huizen langs de huizen te hebben gedeclameerd
en gezongen. Ene ‘vrou Gerrits’, geboren in 1580, staat beschreven
als zangeres van het lied in ‘Medenblick’ en in 1900 werd een
bewerking ervan nog op verzoek gezongen in Broek op Waterland door twee inwoners:
C. Bakker en C.Tolk. Aldus van Duyse. In een handschrift uit de zestiende
eeuw (ooit in het bezit van Snellaert, maar niet meer te achterhalen) had
het gedicht 60 strofen (6 meer dan gewoonlijk). De versie van het ‘suyverlick
boecxken’ zou hier van afgeleid kunnen zijn, maar dan is moeilijk te
verklaren waarom juist de volgende strofen die in Snellaerts uitgave zijn
terug te vinden, zijn weggelaten:
Och alle jonghe maeghden reijn
Gheeft Jesus doch u trouwe
En kiest hem voor u soete lief
Ten sal u nimmermeer berouwen |
 |
Die dit liedeken eerstwerf sanck
Godt wil haer gratie geven
Dat sy mach sien heer Jesus haer lief
in dat eeuwich leven. Amen. |
Of zou het lied in deze vorm door een vrouw (een kloosterlinge?) zijn gemaakt
en (door haar?) aan Tonis zijn toevertrouwd of toegekend? Volgens Boekenoogen
is deze versie beter dan die van het boekje, maar van later datum. In deze
tekst wordt bovendien geen appèl gedaan op moslimmeisjes maar op alle
aanstaande kloosterzusters! Er is in het `Devoot en Profytelick Boecxken`
van Antwerpen (1539) onder no.147 al een navolging van het dus oudere lied
opgenomen als ‘Een goet man hadde een dochterkijn’. Knuttel betreurt
het, dat het sultansdochterlied niet in een goede oudere vorm is overgeleverd
en Acquoy, die evenals te Winkel en van Duyse (deel III, blz. 2458) Harmansz.
niet als de dichter ervan beschouwt (Het Geestelijk Lied, blz. 55), ziet er
een variant in van het verloren gegane lied waar het de ‘wijse’
van meekreeg: ‘Die boerman hadde een dochterken…’. Dan zou
er dus ook hier sprake zijn van een contrafact. ’Die boerman’
was -zie van Duyse- een wereldlijk lied met een niet zo hoogstaand (‘suyverlick`!)
thema.
De ‘terugvinder’
van het boekje van Tonis Harmansz., de reeds genoemde Mr. L. Ph. C. van den
Bergh, stond met zijn mening de dichter van het lied gevonden te hebben tamelijk
alleen, al volgden van Vloten en Thijm hem. Zelfs van Duinkerken die graag
met Thijm meeging, zette een vraagteken achter de naam van ‘de Wervershoofse
bard’. Van den Bergh nam het Snellaert kwalijk dat hij zijn ‘vondst’
niet verwerkte in zijn (Sn.) uitgave van Willems’ liederenverzameling,
maar die zal daar zijn redenen voor gehad hebben! Interessant en mijns inziens
betrouwbaarder is van den Bergh’s beoordeling van het gedicht zelf.
Volgens hem heeft het ‘een onnavolgbare waas van naïviteit, een
poëtische tint die ondanks de allerslordigste versbouw onbeschadigd gebleven
is`. Hij besefte, dat het lied in andere variaties kon hebben bestaan, maar
meende, dat het niet eerder opgeschreven kon zijn dan in de vijftiende eeuw
en dan waarschijnlijk zeer onvolmaakt. Tonis Harmansz. had volgens hem misschien
geput uit zijn herinnering of uit de mond des volks en maakte zijn tekst veel
vollediger dan de andere versies. Thijm beschouwde trouwens Tonis wel als
de dichter maar noemde hem tevens de ‘bewerker’ van de legende.
Volgens Kalff komen er in Tonis’ boekje verschillende vijftiende eeuwse
liederen voor. Dat blijkt inderdaad ook bij van Duyse die de oude geestelijk
liederen grondig onderzocht. En in het Hoorns Liedboek van 1614 van Pieter
Zacharias komt de tekst van het sultansdochterlied voor zonder vermelding
van onze Tonis. Ook zijn er later nog veel bewerkingen gemaakt op weer andere
melodieën, zoals b.v. in de achttiende eeuw op de zeventiende eeuwse
melodie ‘O Holland schoon’. Niemand, ook Tonis Harmansz. niet,
kan zich in deze op oerauteurschap beroemen.
We kunnen
dus concluderen dat, als Tonis Harmansz. van Warvershoef na ongeveer 1560
is gestorven (‘salighe’ (= wijlen) zegt men niet meer van iemand
die een halve eeuw of meer dood is), het ondenkbaar is dat hij het lied van
de Soudaensdochter nieuw geschreven, laat staan bedacht heeft. Het lied is
volgens de meeste onderzoekers van vóór 1500. Wel kan het zijn
dat hij of een van de rederijk(st)ers uit zijn kring het lied uit overlevering
kende en er een eigen redactie aan heeft gegeven. Ook kan de inhoud ontleend
zijn aan het Volksboek dat in Delft in 1520 en in Amsterdam in 1540 of al
eerder was verschenen en dat er op basis daarvan een eigen liedtekst is gemaakt.
Misschien door Tonis zelf? De taalvaardigheid is waarlijk van een dichter(es),
de inhoud is lieflijk en soms ontroerend, maar naïef. Er zit een duidelijke
verliefdheidsbeleving in, maar die vindt men ook in het proza. Mij lijkt `Des
Soudaens Dochterken` in deze uitgave een geslaagde weergave in liedvorm van
een in allerlei varianten en in proza én poëzie overgeleverde
legende. Maar of Tonis Harmansz. deze tekst op zijn naam mag houden, dat valt
sterk te betwijfelen.
En of
de angst voor de Turken erdoor werd bezworen, dat lijkt me nóg onwaarschijnlijker!

Het Beeldje op het Grentplantsoen |
|
|
|