Dies Irae
De
meest omstreden sequens van de Trente-vijf is het Dies Irae, Dies Illa.
Zowel de tekst als de muziek zijn (niet alleen omdat de makers ervan eigenlijk
niet bekend zijn) voorwerp van discussie tot op onze dagen: de tekst omdat
er veel middeleeuwse bangmakerij in wordt gepresenteerd, de muziek omdat
–zoals Sixtus Senensis al in 1566 vaststelde- die een ‘rhythmus
inconditus’ (onbeholpen melodie) vertoont die wel heel ver verwijderd
is van de vrije opzet der oorspronkelijke sequensen. Algemeen neemt men
aan dat het ontstaan ervan te zoeken is in de omgeving van Napels in het
begin van de dertiende eeuw en wel in Franciscaanse kringen. Meestal wordt
als auteur Thomas van Celano O.F.M. genoemd die kort na 1250 gestorven is.
Hij was de eerste levensbeschrijver van Franciscus van Assisi. Van hem zijn
twee vita’s over deze grote heilige: een van 1228-1229 en een van
1245-1247. Omdat hij als Franciscaans schrijver zeer bekend is geworden
en men geen andere auteur met zekerheid wist aan te wijzen, heeft men hem
tot in onze tijd voor de mogelijke schrijver van deze sequens gehouden,
maar van meer dan ‘toegeschreven aan’ is geen sprake. Hij is
misschien niet meer dan de verspreider geweest. De tekst is geïnspireerd
op twee bijbelteksten: Sefanja 1, 14 -16 en Rom. 2, 5 - 8. Ook dit gedicht
is typisch ‘maakwerk’: steeds drie regels die rijmen, maar er
is geen koppeling van strofen en aan het einde staan twee disticha die in
zich maar niet met elkaar rijmen, afgeloten met twee niet rijmende slotregels.
Men beschouwt deze afsluiting meestal als een latere toevoeging. Kortom:
te veel rijm en te weinig
ritme in de tekst zelf.
In
de liturgie werd het Dies Irae pas in latere tijd ingevoerd in het officie
van de eerste adventszondag en op Allerzielen. Weer later kwam het in de
muziekboeken terecht achter het ‘Libera me’ van de uitvaartdienst.
Pas in 1739 werd het definitief aanvaard maar wegens de angstaanjagende
inhoud in 1956 weer afgeschaft en alleen nog erkend voor het Allerzielenofficie
en voor uitvaarten als de familie er nadrukkelijk om vroeg en het lijk present
was (dus niet in gedachtenisvieringen). De gregoriaanse muziek bevat drie
melodiën voor telkens twee opeenvolgende strofen, deze komen drie keer
achtereen voor (de derde de laatste keer slechts éémaal) zodat
er zeventien coupletten ‘gedekt’ zijn. De daarna volgende drie
disticha hebben ieder een eigen melodie. De tweede van de drie melodieën
lijkt gemaakt te zijn voor het ‘tuba mirum’ omdat er een soort
bazuingeschal in lijkt te weerklinken.
In
de Westerse muziekgeschiedenis was het Dies Irae een inpiratiebron van vele
componisten. Ik noem slechts: Orlando di Lasso, Mozart, Cherubini en Berlioz.
Mozart is op zijn sterfbed tot het ‘Voca me’ gekomen (volgens
de overlevering). Behalve mijn eigen vertaling druk ik hier de vertaling
van J. W. Schulte Nordholt (geb.1920) af zoals die in het Liedboek van de
Kerken (1973) is opgenomen met de muziek van Jan van Biezen (geb. 1927).
Zij laten de laatste drie strofen weg, daarmee suggererend dat die alleen
toevoegsels zijn. Of alleen omdat ze het wilden houden bij de regelmaat
van de drieregelige coupletten? Elders vond ik wel de vertaling die Schulte
Nordholt van de laatste strofen heeft gemaakt: ‘O, dat is de dag van
tranen, o, hoe moet de mens zich schamen, naakt en schuldig voor Gods ogen,
Here, wees om hem bewogen. Goede Here Jezus, geef hun de rust. Amen.’
Over
het Dies Irae kan men lezen bij: Ermini, Inganuez, Gihr, Capelle, Boer,
Kurfess en…Blume.
 |
 |
Dies Irae
|
| |
Dies Irae |
|
Dies Irae |
| |
|
|
|
 |
Dies irae, dies illa,
solvet saeclum in favilla,
teste David cum Sibylla.
Quantus tremor est futurus,
quando judex est venturus
cuncta stricte discussurus.
Tuba mirum spargens sonum
per sepulchra regionum
coget omnes ante thronum.
Mors stupebit et natura,
cum resurget creatura
judicanti responsura.
Liber scriptus proferetur,
in quo totum continetur,
unde mundus judicetur.
Judex ergo, cum sedebit,
quidquid latet apparebit,
nil inultum remanebit.
Quid sum miser tunc dicturus,
quem patronum rogaturus,
cum vix justus sit securus.
Rex tremendae majestatis,
qui salvandos salvas gratis,
salva me fons pietatis.
Recordare, Jesu pie,
quod sum causa tuae viae,
ne me perdas illa die.
Quaerens me sedisti lassus,
redemisti crucem passus;
tantus labor non sit cassus.
Juste judex ultionis,
donum fac remissionis
ante diem rationis.
Ingemisco tamquam reus,
culpa rubet vultus meus;
supplicanti parce, Deus.
Qui Mariam absolvisti
et latronem exaudisti,
mihi quoque spem dedisti.
Preces meae non sunt dignae,
sed tu bonus fac benigne
ne perenni cremer igne.
Inter oves locum praesta
et ab haedis me sequestra
statuens in parte dextra.
Confutatis maledictis,
flammis acribus addictis,
voca me cum benedictis.
Oro supplex et acclinis,
cor contritum quasi cinis,
gere curam mei finis.
Lacrimosa dies illa
qua resurget ex favilla
judicandus homo reus.
Huic ergo parce, Deus!
Pie Jesu Domine,
dona ei requiem!
Amen! |
 |
Dag van woede die gaat komen
als de brand wordt waargenomen
van Sybill’ en Davids dromen.
Hoeveel angst wordt dan geleden
als de rechter op gaat treden
streng beziend’ ieders verleden.
Een bazuin zal schel weerklinken
en alwie in’t graf moest zinken
dwingen naar zijn troon te hinken.
Wie zal als de mensen opgaan
en natuur en dood verbaasd staan
tegen ’s rechters oordeel ingaan?
Dan brengt men het boek naar voren
en laat ieder alles horen
wat de wereld is beschoren.
Als de rechter is gezeten
laat hij al ’t verborg’ne weten
niets wordt bij de straf vergeten.
Wat helpt dan mijn zielig klagen,
wat een voorspreker te vragen,
zelfs een held krijgt straf te dragen.
Koning van ontzag en eerbied,
die zo vaak al zondaars vrijliet,
red mij die u smekend aanziet.
Goede Jezus, doe herleven
dat mij zoeken was uw streven,
wil die dag mij ’t leven geven.
Zoekend zijt gij haast bezweken,
zelfs hebt gij niet ‘t kruis ontweken:
loon naar last mag niet ontbreken.
Eerlijk straft gij, rechte rechter,
maar, vergeef mij, nog oprechter
spreekt gij vrij; die band is hechter.
Hoor mijn zuchten, ik ben schuldig,
schaamrood kleurt mij menigvuldig,
God, hoor hoe‘k U smeek en huldig.
Die Maria hebt vergeven
en de rover schonk het leven,
zoudt gij mij geen hoop meer geven?
Kan mijn kreet u niet bereiken,
doe uw goedheid sterker blijken,
en mij niet in vuur bezwijken.
Laat mij niet bij bokken dwalen,
wil mij bij uw schapen halen,
dan geneest uw hand mijn kwalen.
Voeg mij -uit de kring der bozen-
bij wie gij hebt uitgekozen
na de brand der goddelozen.
‘k Bid U, nu ik ben verslagen,
‘t hart neerslachtig en vol vragen,
zie mij in mijn laatste dagen.
O, die dag zal, vol van tranen,
elke mens tot opstaan manen.
Wee wie zich dan veilig wanen!
God, wil toch een uitweg banen!
Here Jezus, toeverlaat,
spaar de mens die voor U staat!
Amen. |
| |
|
|
|
| |
|
|

Het koor |
Liedboek van de Kerken 278 (Schulte Nordholt) |
| |
 |
| |
| |

nederdaling ter helle |
|
|
|