Stabat Mater Dolorosa
Geen
van de vijf Trente-sequensen is in de latere muziek zo doorgedrongen als
het Stabat Mater: er zijn composities aan ontleend door Josquin des Préz,
Palestrina, d’Astoria, Pergolesi (de beroemdste?), Haydn, Schubert
(D.175, in twee versies, resp. 1815 en 1817, onvoltooid), Rossini, Liszt,
Dvoràk, Diepenbrock en nog vele anderen. Meestal, maar niet algemeen,
wordt de tekst ervan toegeschreven aan de zalige Jacopone da Todi, ook wel
genaamd Jacobus di Tuderto of de Benedictis (1230-1306), advocaat te Todi
in Italië, wiens vrouw stierf rond het jaar 1270. In zijn rouw over
haar gedroeg hij zich volgens de overlevering als een nar maar het kan ook
zijn dat zijn droefheid zich uitwerkte in zijn beroemde tekst. In 1278 trad
hij in bij de Franciscanen ter plaatse maar hij voerde zijn versterving
zo hoog op dat hij uit zijn klooster verbannen werd naar Palestina, een
boetereis dus naar het heilige land. In 1303 was hij terug in het klooster
van Callazone, waar hij op Kerstmis 1306 is gestorven. Het Stabat Mater
is in elk geval ontstaan vanuit de Franciscaanse spiritualiteit waarin het
emotioneel-menselijke aspect van de geloofservaringen zich hevig opdrong.
Daarom zijn er ook die de heilige Bonaventura, gestorven in 1274, als de
auteur ervan beschouwen. En weer anderen houden het op de Engelse Franciscaan
en aartsbisschop van Canterbury John Peckham die stierf in 1292. Er zijn
er zelfs die de oorsprong ervan niet in de dertiende of veertiende eeuw
zoeken maar in de vijftiende. Dan ziet men het als een bewerking van een
oudere sequens: Stabat iuxta Christi crucem, stabat videns vitae ducem vitae
valefacere, uit het einde van de dertiende eeuw. Kennelijk was het gedicht
oorspronkelijk bedoeld voor privé-gebruik: er staat: ‘me sentire’
en ‘lugeam’. Bovendien bevat de tegenwoordige tekst nogal wat
aangepaste varianten: eerst stond er: ‘Crucifixe, fac me fortem ut
libenter tuam mortem plangam, donec vixero. Tecum volo vulnerari, te libenter
amplexari in cruce desidero.’ Daarnaast nog: ‘contristantem
et dolentem’, ‘Quae maerebat et dolebat et tremabat cum videbat’
en ‘fac ut anima donetur paradisi gloriae’ waardoor er rijmt
ontstaat met ‘ad palmam victoriae’.
Het
Stabat Mater is waarschijnlijk eerst een processiegezang geweest bij een
boetetocht en later bij de kruisweg. Het heeft dus een heel andere oorsprong
als een echte sequens. Maar in het Missale Romanum van 1570 werd het als
tussenzang opgenomen in de dodenmis en op de vrijdag na passiezondag. Voor
het misofficie van het feest van de zeven smarten van Maria op 15 september,
dat in 1727 werd ingesteld, werd het verplicht gesteld. Omdat de gedichtvorm
zo regelmatig is, zijn er in de loop der eeuwen nogal wat vertalingen op
rijm en in strofen gemaakt ook op nieuwe melodieën. Vondel vertaalde
de tekst op de wijs van ‘Iet moet ick Laura aen Laura vraghen’.
En Gezelle heeft twee (vrije) vertalingen gemaakt, te zingen op de overgeleverde
gregoriaanse melodie.
De
eerste in zijn jonge jaren, rond 1850, waarbij hij niet de Romeinse maar
de Romaanse tekst als uitgangspunt nam en de strofen paarde, en de tweede
in 1895 die een veel rijpere taalvaardigheid verrraadt, eveneens vanuit
de Romaanse versie. Ik druk beide hierna af. Er zijn mij drie melodieën
bekend. De oudste en meest oorspronkelijke volgt hierna, de andere twee
zijn gemaakt door resp. Dom Jausions en Dom. Fonteinne van Solesmes rond
1870.
Namen van deskundigen zijn: Mohnike, Listo, Kayser, Tenneroni, Werder, Pacher,
Ferri, Mascia, Liuzzi, Haberl, Dreves-Blume, Ozanam (Parijs 1852) en L.
M. Fr. Daniëls (Naarden 1939).
 |
 |
Stabat mater dolorosa
iuxta crucem lacrimosa
dum pendebat filius.
Cujus animam gementem
contristatam et dolentem
pertransivit gladius.
O quam tristis et afflicta
fuit illa benedicta
mater unigeniti.
Quae maerebat et dolebat
pia mater dum videbat
nati poenas inclyti.
Quis est homo qui non fleret
matrem Christi si videret
in tanto supplicio.
Quis non posset contristari
Christi matrem contemplari
dolentem cum filio?
Pro peccatis suae gentis
vidit Jesum in tormentis
et flagellis subditum.
Vidit suum dulcem natum
moriendo desolatum
dum emisit spiritum.
Eia mater fons amoris
me sentire vim doloris
fac ut tecum lugeam.
Fac ut ardeat cor meum
in amando Christum Deum
ut sibi complaceam.
Sancta mater, istud agas
cruxifixi fige plagas
cordi meo valide.
Tui nati vulnerati
tam dignati pro me pati
poenas mecum divide.
Fac me tecum pie flere
crucifixo condolere
donec ego vixero.
Juxta crucem tecum stare
et me tibi sociare
in planctu desidero.
Virgo virginum praeclara,
mihi jam non sis amara
fac me tecum plangere.
Fac ut portem Christi mortem,
passionis fac consortem
et plagas recolere.
Fac me plagis vulnerari,
fac me cruce inebriari
et cruore filii.
Flammis ne urar succensus,
per te, virgo, sim defensus
in die judicii.
Christe, cum sit hinc exire,
da per matrem me venire
ad palmam victoriae.
Quando corpus morietur
fac ut animae donetur
paradisi gloria.
Amen.
Alleluia. |
 |
Diep bedroefd en onder tranen
zag de zoon zijn moeder staan en
zij hoe hij te sterven hing. Zie hoe ’t zwaard van leed
en lijden
tot in’t diepste van hen beiden
smartelijk naar binnen ging.
O hoe droevig en verslagen
kreeg die moeder daar te dragen
’t heengaan van haar enig kind.
Ach hoe treurde zij en rouwde
toen z’t schrijnend’ leed aanschouwde
van haar zoon zo teer bemind.
Welke mens zou er niet huilen
als Maria weg wou schuilen
bij hem in haar diepste nood?
Wie zou blijven onbewogen
als hij zag haar treurend’ogen
en haar zoon dood op haar schoot?
Zij had staande aan zijn zijde
Jezus lange tijd zien lijden
bloedend en met doornenkroon.
Haar geliefde zoon zou komen
liggen, van het kruis genomen,
op haar schoot als op een troon.
Doe mij, moeder, bron van liefde,
voelen wat uw hart doorkliefde,
mij die met u medelijdt.
Moge ik van binnen branden,
vurig met mijn hart en handen
Christus dragen door de tijd.
Heil’ge moeder, wilt gij zorgen
dat bij mij wordt opgeborgen
‘t lijdenskruis diep in mijn hart.
Want om zoveel diepe wonden
die hij toen heeft ondervonden
wil ik delen in uw smart.
Laat mij met u zijn in tranen
en mijzelf gekruisigd wanen
tot ook ik gestorven ben.
Met u naast het kruis te waken
en tot u een troostwoord slaken
dat is waar’k mij toe beken.
Maagd der maagden, hooggeprezen,
wil voor mij niet bitter wezen,
deel met mij uw rouwbeklag.
Doe mij Christus’dood ook dragen,
en niet om het lijden klagen,
maar ‘t gedenken elke dag.
Laat zijn pijnen mij verscheuren,
‘k wil mij door ’t kruisleed sleuren
en door ‘t bloed van hem, uw zoon.
Breng mij niet waar vlammen branden
maar neem gij mijn lot in handen,
moedermaagd, bij ’s Heren troon.
Christus, word’k hier weggenomen,
laat uw moeder tot mij komen
en schenk mij de zegeprijs.
Als mijn lichaam komt te sterven,
doe mijzelf de glorie erven
van ’t beloofde paradijs.
Amen.
Alleluia. |
Stabat Mater 1
’t Stond een’moeder en zij schreide
wijl ze droef bij ’t kruishout beidde
waar heur’lieve zoon aan hong:
en dat heure ziel, vol zuchten,
ijl van vreugde en van genuchten,
‘tzweerd der bitterheid doordrong.
O hoe treurig, hoe verslegen
was die moeder, vol van zegen,
des eeniggeborenen:
zij, die weende en stond te kwijnen
en zoo beefde op ‘t zien der pijnen
van heur’uitverkorenen.
Wee de mensch die niet en rouwde
zoo hij Christi moed’r aanschouwde
in een wee zoo scheurende1
Wie zou konnen zonder klagen
de eed’le moeder gade slagen
bij heur’zone treurrende?
Zij zag Jesum voor de zonden
van zijn volk gekweld, geschonden
door de wreede geeselroe.
Zij zag haren zoet gewonnen
stervend en geheel verslonnen
toen zijn brekend oog look toe.
Hei mij!Moeder, bron der liefde,
geef mij’t weedom dat dij griefde,
geef dat ik dij medeklaag:
schenk dat ik toch gloei van binnen
om zóó Christum te beminnen
dat ik eens zijn hert behaag1
Heilige Moeder,hoor mijn smeeken
en druk vast elk wondeteeken
des gekruisten in mijn hert:
Vandijn’zoon,dieganschdoorkorven,
heeft voor mij geleên,gestorven,
geef mij d’helft van al zijn smert!
Laat mij waarlijk met dij weenen,
den gekruisten mij vereenen
lijdende al mijn leven lang:
mij met dij aan ‘t kruis bevinden,
Mijn getraan aan ’t dijne binden:
dáár,daar is al mijn verlang! |
 |

Maghet, aller maagden schitter,
maak dijn hertje op mij niet bitter,
bij dij laat mijn tranen vlien!
Moog’ik Jesu dood verlangen,
als zijns lijdens erf ontvangen
en zijn wonden eere bien.
Wil mij met zijn kwetsen slagen,
en mij dronk-blij ’t kruis doen dragen
klaar uit liefde tot dijn’zoon:
moog’ik branden en in gloed zijn
en door dij, O Maagd, behoed zijn
in den dag van straf en loon! |
Stabat Mater 2
Naast het kruis, met weenende oogen,
stond de Moeder, diep bewogen,
daar, gegalgd, heur kind aanhing.
Dwers door 't midden van heur herte,
vol van zuchten, leed en smerte,
't scherpe zweerd der droefheid ging.
Ach' hoe droef, hoe vol van rouwe,
was die zegenrijke vrouwe,
moeder van dat eenig kind!
Ach! hoe treurde zij, hoe kreet zij,
ach! wat boezem pijnen leed zij
naast Hem, die zij zoo bemint!
Wie die ook niet weenen zoude,
zoo hij 't bitter leed aanschouwde
dat Maria's ziel verscheurt'
Wie kan zonder medelijden,
Christus Moeder zoo zien lijden,
daar zij met haar Zoon hier treurt?
Om de schuld van onze zonden,
ziet zij Jesus vol van wonden,
heel doorgeeseld, overal!
Ziet zij 't dierbaar Kind in 't strijden,
met de dood, verlaten lijden,
eer, eilaas, het sterven zal
Moeder, liefde doet u kwijnen;
geef mij deel in al die pijnen,
dat ik met u mede ween.
Laat mijn herte nimmer staken,
God mij aangenaam te maken,
vlammende voor hem alleen.
Maagd der Maagden, mijn gebeden,
hoort ze, zonder bitterheden;
helpt mijn medelijdend hert
Door de wonden die Hem schonden,
Moeder, en aan 't kruishout bonden,
deele ik zijn pijn en smert
Mocht ik klagen al mijn dagen
mocht ik met u smerten dragen,
eer mijn sterfdag voorenviel
|
 |

Gezelle
Mij bij 't kruis met u vereenen!
met u sterven, met u weenen!
is het wenschen mijner ziel
Maagd, der maagden roem en zegen!
werk mij in dien wensch niet tegen;
gun mij dat ik met u klaag.
Mochte ik eens in Christus' wonden,
zijn verborgen, zijn verslonden,
'k ware in ruste: och, hoor mijn vraag!
Mocht ik Christus' kruise dragen,
hebben daarin mijn behagen,
heel doordronken zijn, voortaan!
Dan zal Jezus mijns ontfermen,
en Gij Maagd, zult mij beschermen,
als ik zal voor 't oordeel staan.
Laat in Christus' dood en lijden
op dien dag mijn hert verblijden,
herontwekken mijne jeugd.
En, als 't lichaam komt te sterven,
laat mij dan voor eeuwig erven
's Hemels weergalooze vreugd.
Amen |
|
|
|
|