 |
Lauda Sion Salvatorem,
Lauda ducem et pastorem,
In hymnis et canticis.
Quantum potes, tantum aude:
Quia major omni laude,
Nec laudare sufficis.
Laudis thema specialis:
Panis vivus et vitalis
Hodie proponitur.
Quem in sacrae mensa coenae
Turbae fratrum duodenae
Datum non ambigitur.
Sit laus plena, sit sonora,
Sit jucunda, sit decora
Mentis jubilatio.
Dies enim solemnis agitur
In qua mensae prima recolitur
Hujus institutio.
In hac mensa novi regis
Novum pascha novae legis
Phase vetus terminat.
Vetustatem novitas,
Umbram fugat veritas,
Noctem lux eliminat.
Quod in coena Christus gessit
Faciendum hoc expressit
In sui memoriam.
Docti sacris institutis
Panem, vinum, in salutis
Consecramus hostiam.
Dogma datur Christianis
Quod in carnem transit panis
Et vinum in sanquinem.
Quod non capis, quod non vides
Animosa firmat fides
Praeter rerum ordinem.
Sub diversis speciebus
-Signis tantum et non rebus-
Latent res eximiae.
Caro cibus, sanquis potus,
manet tamen Christus totus
sub utraque specie.
A sumente non concisus,
Non confractus, non divisus,
Integer accipitur.
Sumit unus, sumunt mille:
Quantum isti, tantum ille
Nec sumptus consumitur.
Sumunt boni, sumunt mali;
Sorte tamen inaequali:
Vitae vel interitus.
Mors est malis, vita bonis,
Vide paris sumptionis
Quam sit dispar exitus!
Fracto demum sacramento
Ne vacilles, sed memento
Tantum esse sub fragmento
Quantum toto tegitur.
Nulla rei fit scissura,
Signi tantum fit fractura
Qua nec status nec statura
Signati minuitur,
ECCE PANIS ANGELORUM
Factus cibus viatorum,
Vere panis filiorum
Non mittendus canibus.
In figuris praesignatur,
Cum Isaac immolatur,
Agnus paschae deputatur,
Datur manna patribus.
Bone pastor, panis vere,
Jesu, nostri miserere,
Tu nos pasce, nos tuere,
Tu nos bona fac videre
In terra viventium.
Tu qui cuncta scis et vales,
Qui nos pascis hic mortales,
Tuos ibi commensales,
Coheredes et sodales
Fac sanctorum civium.
Amen.
Alleluia. |
 |
Huldig Sion uw bevrijder
loof uw herder, loof uw leider
met uw lied en koorgezang. Durf volop uw lof te uiten,
zing van binnen, zing van buiten,
nee gij snoeft niet, wees niet bang.
Heden moet gij zeker zingen
van het grootste aller dingen:
brood dat leeft en leven geeft!
Eens is het de twaalf gegeven:
‘t Afscheidsmaal van Jezus’ leven,
voordat hij geleden heeft.
Sindsdien is er volop reden
graag te zingen tot op heden
met een jubelende geest.
Ook vandaag en in deze feestdagen
wordt de opzet ons hier aangedragen
van dit kostbaar maaltijdsfeest.
Nieuw aan ‘s konings dis gezeten
gaan we ‘t nieuwe paaslam eten,
komt de oude tijd ten eind’.
Oud bezwijkt nu, nieuw gaat voor,
schaduw wijkt en licht breekt door,
nu door zon de nacht verdwijnt.
Wat toen Christus zelf in gang bracht
blijft nu blijvend in de aandacht,
nooit sterft zijn gedachtenis.
Onderricht door heil’ge reg’len
mog’n we brood en wijn bezeg’len
tot zijn heilsnalatenis.
Wat voor Christenen echt vaststaat
is dat brood in lichaam opgaat
en dat wijn hier geldt als bloed.
Wat gij zien kunt noch begrijpen
doet een diepgaand g’loof u blijken
waar natuur er niet toe doet.
Door door ’t uit’rlijk heen te lezen
-dat is buitenkant, geen wezen-
vindt men een verborgen schat.
Vlees wordt spijs en bloed te drinken,
Christus valt niet te verminken,
blijft in beider vorm vervat.
Door wie eten niet gebroken,
niet beschadigd, niet doorstoken,
gaaf treedt hij ons tegemoet.
Of er één of duizend eten,
zijn bereik is niet te meten,
wordt daardoor niet ingeboet.
Goeden eten hier naast kwaden,
maar de afloop volgt de daden:
leven komt of ondergang.
Dood wacht kwaden, leven goeden,
kon dit gelijke maal verhoeden
dit verschil in levensgang!
Bij het breken wil bedenken
dat ons ieder deel zal schenken
wat bij dit gewijd gedenken
het geheel ons geven wil.
Van echt breken is geen sprake,
slechts het uit’rlijk kan men raken,
dat doet geestelijk niet ter zake,
sta slechts bij ’t bedoelde stil!
Zie: het brood dat engelen wensen
wordt hier proviand voor mensen,
houd het binnen mensengrenzen,
werp het niet voor honden neer !
Houd van vroeger in gedachten:
Isaac die als offer wachtte,
‘t Paaslam dat de Joden slachtten
en het manna van weleer.
Goede Herder, brood ten leven,
Jezus, wil ons kwaad vergeven,
leid ons, door uw zorg gedreven,
naar uw koninkrijk verheven
in het land voorbij de tijd.
Gij die mateloos wijs en machtig
ons hier weidt, onz’ dood indachtig,
maak ons daar met U deelachtig
aan de tafel rijk en prachtig
van de kring der eeuwigheid.
Amen.
Alleluia. |