DE PAROCHIE VAN HOORN IN DE LOOP DER JAREN
Hoorn, voorjaar 2005 |
Gerard Weel |
Het
wordt tijd dat er ook op internet wat meer te vinden is over de geschiedenis
van de parochie Hoorn. In het verleden zijn er heel wat schriftelijke stukken
opgesteld om het nageslacht op dit gebied iets mee te geven, vooral door
Theodorus Velius, pastoor Does, Pieter Koster, Thea van Balen, Jan Onstenk,
Leo Veerkamp, Jan-Piet van der Knaap, Henk Saaltink, Wim Brieffies, pastoor
Hupperetz en mijn persoontje, maar het is er nog niet van gekomen om een
leesbaar overzicht voor de grotere kring van internetlezers op te stellen.
Nu ik alle tijd daarvoor heb, wil ik dat doen. Insiders en outsiders hebben
dan in elk geval iets wat gemakkelijk te bereiken en te kopiëren is.

Velius
(Dirck Volkertsz. Seylmaker 1572-1630), de grote geschiedschrijver van Hoorn,
schreef in 1604 in zijn Chronyk dat er al rond 1316 drie bierhandelaars
uit Hamburg werden gesignaleerd die -behalve om kaas te kopen en handwerk
te verhandelen met de vissers en boeren van het ontluikende Hoorn- om de
verering van de martelaar Cyriacus als een van de veertien noodhelpers te
verspreiden naar deze omgeving waren gekomen. Cyriacus was een Romeinse
diaken en martelaar die omstreeks het jaar 300 in Rome was omgebracht. Hij
werd in het Duitse gebied algemeen vereerd, b.v. in Bamberg, Worms (daar
rust een deel van zijn gebeente), de Pfalz en de Elzas, maar ook in Italië
stond hij hoog aangeschreven, b.v. in Ancona en Castiglione. Zijn vereerders
hadden kennelijk succes in Hoorn want al in 1323 bouwde men bij de dijk
een aan Cyriacus gewijd kerkje van hout en riet in het verlengstuk van de
tegenwoordige Vijzelstraat, dus waar nu ongeveer het Visserseiland ligt.
Reeds zes jaar later werd dit kerkje dat door dijkdoorbraak buitendijks
was geraakt, door de zee verwoest en moest men zich voorlopig behelpen met
kerkdiensten in huizen van particulieren.
|
 |
 |
 |
|
 |
De grote kerk op drie afbeeldingen:
links met kerkplein, rechts vanuit de haven en in het midden volgens
Paulus Jolly |
De
oorsprong van de officiële parochie Hoorn ligt tussen de jaren 1369
en 1405 toen er binnen de veiligheid van het opkomende stadje een echte
kerk (maar weer van hout net als alle andere gebouwen toen) werd gebouwd
op de plek van het tegenwoordige kerkplein, opnieuw toegewijd aan de heilige
Cyriacus. Het Mariabeeld ervan werd in 1394 met de nodige andere kostbaarheden
geschonken door Scharwouders die hun eigen kerkje in 1374 (anderen zeggen:
1391) door het opkomende zeewater verzwolgen hadden zien worden. Dit beeld
was een tronende Madonna (“sedes sapientiae” = zetel van wijsheid),
waarvan sinds 1429 naar verluidt een weergave op het Hoornse stadszegel
stond.
 Het oude stadhuis op de Rode Steen |
Hoorn begon inmiddels echt een stad te worden: het stadhuis op de Rode
Steen dateert van 1420 en heeft daar gestaan tot 1797. Omdat Hoorn ontstaan
was bij de uitwatering (via een sluis) van het riviertje de Gouw in de
Zuiderzee -het laatste stuk ervan werd ‘Sluistocht’ genoemd-
had men veel moeite de moerassige plek (een ‘weel’!) waar
het water zich verzamelde wanneer bij vloed de sluis gesloten was, door
ophoging geschikt te maken voor een wat steviger en zwaarder kerkgebouw.
Bovendien ging het stadsbestuur na de omwalling van 1511 steeds meer eisen
dat houten bouwsels werden vervangen door stenen om brand te voorkomen.
In 1521 brak er inderdaad een ernstige brand uit die het dak van de kerk
verwoestte.
Maar men restaureerde en herwijdde de kerk in 1523. Er is in 1531 zelfs
een torentje (van hout!) met klok en al als dakruiter op het gebouw gezet
ter aanvulling van de losstaande clockhuystoren aan de overkant in de Kerckstraet.
Deze toren stond al jaren naast het latere St. Jansgasthuis (toen H. Gheesthuys,
een soort opvangcentrum) dat van 1447 dateerde. Dat werd, geheel vernieuwd
in 1563, in 1842 uniformenmagazijn (tot 1922) en wordt tegenwoordig in de
volksmond nog naar een latere bestemming ‘boterhal’ genoemd.
In onze tijd is het een expositieruimte geworden. |
|
St. Jansgheesthuis en clockhuys; er was een steeg
tussen en de toren van het clockhuys was zeer hoog. |
De
bisschop was in 1521 en 1523 al op bezoek geweest maar kwam in 1532 opnieuw.
Inmiddels was echter de verering van Cyriacus overvleugeld door die van
Johannes de Doper met wie de plattelandsbevolking van West-Friesland meer
‘op had’ en die al vanaf 1406 als stadspatroon en parochieheilige
werd vereerd. Men vroeg aan de bisschop van Utrecht of St. Jan de Doper
kerkpatroon mocht worden. Die was immers ook al jaren de patroon van het
gasthuys. De bisschop spaarde de kool en de geit en kende de kerk toe
aan beide grootheden. Om Cyriacus wat meer in de aandacht te houden werd
zijn feest (met de kermis) van de Vastentijd (16 maart) naar 8 augustus
verplaatst. St. Jan de Doper werd vanouds gevierd op 24 juni. Op 3 augustus
1838 is -door de stommiteit van een loodgieter- de Grote Kerk afgebrand
en de opvolger (gebouwd 1842-1844), die van J. D. Zocher, op 25 oktober
1878 door blikseminslag eveneens. Het gebouw dat er nu staat vanaf 1881-1883,
is van C. Muysker en sinds 1968 in gebruik als winkel.
 |
 |
| Noorder- of Mariakerk getekend door C. Pronk |
Nog twee
andere kerken zijn er in de vijftiende eeuw bijgekomen. Kennelijk groeide
Hoorn als kool. De eerste was de O.L.Vrouwekerk of Noorderkerk aan het
Kleine Noord in 1424/1425. Die was niet zozeer als parochiekerk bedoeld
maar als bedevaartskerk voor degenen die uit de omgeving naar Hoorn kwamen
om boodschappen te doen en tevens het beroemde beeld van Maria van Hoorn
te vereren. Daar zat een wonderlijke geschiedenis achter: in de haven
van Hoorn was kort na 1424 een houten Mariabeeld beland, in het oosten
des lands gemaakt voor een Friese parochie, waarschijnlijk Lemmer. Het
schip dat het beeld vervoerde, dreef door tegenwind af naar de Hoornse
haven en, hoe men ook probeerde, het lukte niet schip en beeld weer de
zee op te krijgen. Enige tijd ervoor was een zekere Claes (de) Molenaer
van het Kleine Noord genezen van een dodelijke ziekte door een belofte
te doen. Hij zou een nieuwe Mariakapel stichten op zijn kosten en die
van zijn buurtgenoten. Hij had, toen hij nog ziek was, in een koortsdroom
een Mariabeeld in de lucht zien zweven boven het huis van zijn buurman,
Claes Doedensz., en daarom zijn belofte gedaan. Ook zijn vrouw meende
het beeld gezien te hebben. Zij beschreven de verschijning in geuren en
kleuren en al gauw trachtten de buren Doedensz. ervan te overtuigen dat
hij zijn grond moest afstaan voor Maria. Deze weigerde botweg. Maar, schrijft
Velius -op eigen gezag?-, toen hij kort daarop aan de pest bezweek, gaf
zijn banggeworden weduwe zijn/haar grond vrij voor de bouw van een kapel.
Korte tijd later brachten de buren van de Molenaer deze bij het beeld
op het schip in de haven dat precies het evenbeeld van de verschijning
bleek. Zij kochten het beeld en plaatsten het in 1426 vóór
in de Noorderkerk. De houten kapel werd in 1441 door een stenen kerk vervangen
en die werd in 1506, 1509 en 1519 uitgebreid. Daarin heeft het beeld tot
de reformatie in 1572 gestaan om ontelbare bezoekers te trekken.
 |
 |
 |
 |
| Aankoop van een Mariabeeld zoals in de haven van Hoorn |
links: Velius over Vrouwen Kerck en Marienbeelt |
De
kerk is in 1462 verstevigd, geconsacreerd en van een eigen pastoor voorzien.
Ook op haar is later (1492) een dakruiter met twee klokken geplaatst.
Bij de beeldenstorm werd, zo heeft men later vaak verteld, het beeld op
de zolder van een zustersklooster in veiligheid gebracht om in de afgelopen
eeuw (1939, vlak na de grote restauratie van de Noorderkerk in 1938) in
nieuwe glorie jammergenoeg niet op de oorspronkelijke plaats maar in de
stiltekapel van de Koepelkerk op het Grote Noord opnieuw te gaan functioneren.
Of is dat niet het eigenlijke beeld? Onderzoek heeft uitgewezen dat het
tegenwoordige beeld van later datum, waarschijnlijk 1470, is en deel van
een groter geheel heeft uitgemaakt. Trouwens de Molenaer zag volgens de
bronnen een tronende Madonna met kind en zonnestralen, staande op de maan
(zoals in Apocalyps 12; zie de afbeelding van een vergelijkbaar beeld
hieronder) en niet een piëta. De Maria van Hoorn-devotie is dus overgenomen
rond een ander beeld in een andere kerk.
| Marianum van het Prinsenhof, tronende Madonna zoals ooit in de Noorderkerk |
 |
 |
In het broedersklooster van het St. Pietersdal heeft indertijd ook een
prachtige piëta in een passiegroep gestaan en er was tevens een Madonna
met kind in de Grote Kerk vóór de Reformatie, de madonna
van de Scharwouders. Bovendien bevond zich ook daar sinds 1470 een passiegroep,
“de Nood Gods”, waar waarschijnlijk eveneens een piëta
deel van uitmaakte. De madonna van het Stiltecentrum is tot nu toe niet
definitief, maar wel voorlopig, geïdentificeerd: in 1918 werd het,
grijsgeelgeschilderd en vervuild, door de latere ziekenhuisrector, kapelaan
L. A. Roozen (gestorven in 1933), ontdekt en in 1923 teruggehaald naar
de pastorie van het Grote Noord. Want de zusters (van Liefde van Tilburg)
vertrokken toen van de Ramen waar het bij de afbraak van de Achteromkerk
(na een verblijf van 1882 tot 1891op de pastorie van het Grote Noord)
uiteindelijk heen gebracht was. In de Franciscuskerk op het Achterom had
het eeuwen gestaan, pastoor Tyras sprak er al van in 1632 en opnieuw in
1636 als van een vijftiende eeuws beeld van “Onze Lieve Vrouwe ter
Nood”. Het was niet eens het voornaamste Mariabeeld in die kerk:
het stond aan de zijkant in de wezenhoek tegen de linkerzijmuur. Er bevond
zich daar, naar verluidt, ook een “nood Gods-groep” om het
beeld heen.
Het voornaamste Mariabeeld in de kerk op het Achterom was van later tijd:
een tronende Madonna uit de zeventiende eeuw, die na een verblijf in de
sacristie van de Grote Noord-kerk in 1967 aan het Bisschoppelijk Museum
werd beschikbaar gesteld en nu in het Catharijneconvent van Utrecht tentoongesteld
staat.
Omdat
de piëta sterk herinnerde aan de Franciscaanse Mariadevotie voelde
pastoor Smeele niets voor een rehabilitatie -ook pastoor Eenhuysen was
indertijd al jaloers geweest op de toeloop naar het beeld bij de Franciscanen
en pastoor Smeulders vond het meer geschikt voor de kerkhofkapel-. maar
pastoor Huibers wilde dat er een onderzoek naar werd ingesteld. Dat gebeurde
o.l.v. pastoor Van de Wiel in 1937 door deskundigen in Utrecht die het
in Den Haag lieten polychromeren. Het bleek te stammen uit de tweede helft
van de vijftiende eeuw en zeer waardevol te zijn, ook voor de kunstgeschiedenis
omdat de Christusfiguur niet horizontaal maar enigszins opgericht de schoot
van Maria bedekt. Op 15 mei 1939 werd het beeld plechtig geplaatst (Theresia
moest wijken!) en gewijd. Het staat sindsdien weer klaar voor verering
door velen. Willem Schermer uit Amsterdam (van de “natte”
Schermers!) heeft in 1949 de omgeving van het beeld voorzien van een -historisch
dus niet juiste- voorstelling waar menigeen met belangstelling naar kijkt
omdat ze de geschiedenis van Maria van Hoorn in de Noorderkerk mooi weergeeft.
Het gedicht van Anton van Duinkerken boven de deur links is ergerlijk
voor protestanten: de tweede regel kan beter veranderd worden in “die
door Maria gaven schenkt”. De ware Hoorn des Overvloeds gaat ook
bij katholieken zelfs Maria te boven!
Hemelse Hoorn van overvloed,
Die door Maria gaven schenkt,
Hier groet U ieder die gedenkt
Hoe Gij onz' aardse Hoorn behoedt.
De tweede
bijgekomen kerk was van 1450: de St. Antoni(u)s- of Oosterkerk aan het
Grote Oost, gesticht door twee gebroeders Doedensz. (niet die van de Noorderkerk!)
die na een eerste tijd van concurrentie met de ook door hen gestichte
St. Corneli(u)skapel op de hoek van het Grote Oost en de Bagijnensteeg
(1450, gewijd 1453) zich ontwikkelde tot een pronkstuk van Hoorn.
 |
 |
| tekening van de oosterkerk door R. Blomfeld |
Vooral toen de houten kerk, gewijd in 1453, werd vervangen door een stenen
in 1494. Dit laatste gebeurde onder de deskundige leiding van de beroemde
pastoor Claes Joestsz. (1458-1508). De Corneli(u)skapel werd een soort
huiskapel van het ernaast staande Magdalenaklooster tot de opheffing daarvan
in 1550 en rekte het eigen bestaan tot 1570. Het torentje van de Oosterkerk
is van 1600 en in 1616 werd het gebouw van tweebeukig éénbeukig
door een nieuwe overhuiving. De kerk diende steeds meer om de havenbezoekers
en de zeevarenden op te vangen bij hun vertrek en hun thuiskomst. Als
men zich later inschreef voor een scheepsreis van de Verenigde Oost-Indische
Compagnie (opgericht in 1602 en pas opgeheven in 1798) zoals met schipper
Willem Bontekoe, kon men nog steeds hier terecht. Misschien hebben de
jongens van Bontekoe, Hajo, Rolf en Padde, er in 1618 stiekem zegen gevraagd
over hun avontuur! Antonius abt is vanouds o.a. de patroon van de zeevarenden.
Bij de Hoornse alteratie rond 1566 werd deze kerk als eerste (en eigenlijk
als enige) aan de protestanten toegewezen.
Aan het
Keern, even buiten Hoorn, stond vanaf 1445 een eenvoudige kapel die hoorde
bij het St. Lazarus-leprozenhuis. De zorg voor melaatsen werd daar verricht
door enkele broeders van het St. Pietersdal en een priester. Later werden
er oudere mannen verzorgd (tot 1536) en misschien daarna nog oudere vrouwen
(tot 1606).
locatieschets van de hoornse kloosters
Er waren
inmiddels rond 1500 zeven nonnenkloosters in Hoorn gevestigd: het Caeciliaklooster
(1402) aan de Nieuwsteeg, het Catharinaklooster (1409) aan de Gouw bij
de Muntstraat, het St. Geertruidsklooster (1404) ook aan de Gouw bij de
Wisselstraat, het Agnietenklooster (1385) aan de Peperstraat bij de Grote
Kerk (later Prinsenhof), het St. Claraklooster (1468) naast de Noorderkerk
aan het Kleine Noord (speciaal gericht op ziekenverpleging), het Magdalenaklooster
bij de Corneli(u)skapel aan het Grote Oost (1464) en het Mariaklooster
(1408) ook aan de Gouw bij de Achterstraat. Er was één mannenklooster
(1425) aan het St. Pietersdal, eerst (1425-1462) van de zgn. Tercianen
(of: Tertianen), later (1462-1572) van de Kruisbroeders. Er was nog wel
een Hieronymusklooster van de Broeders van Goeden Wille (1385) geweest
aan de Gouw bij de Nieuwsteeg (naast het Caeciliaconvent), maar dat was
al in 1422 opgeheven. Buiten Hoorn stonden twee grote en beroemde kloosters,
beide in Blokker: Nieuwlicht vanaf 1392 voor paters, Bethlehem vanaf 1474
voor zusters.
kaartje van de oudste hoornse gebouwen
In het
midden van de zestiende eeuw sloeg de Reformatie toe, waardoor alle drie
de kerken in protestantse handen kwamen. Men kan zich blijven afvragen
of de Roomsen het er naar gemaakt hadden en er zo’n ingrijpende
zuivering nodig was. De meeste gewone burgers bleven katholiek, maar na
het brute optreden van de Geuzen was de nieuwe overheid de Reformatie
toegedaan, overigens zonder agressie naar de oude ‘religie’.
In 1566 werden de kerken uit angst voor onlusten enige tijd gesloten op
bevel van de autoriteiten. In 1572 werd bevestigd dat alleen de Oosterkerk
beschikbaar zou zijn voor de protestanten, maar de Geuzen drongen op 3
juli van dat jaar door tot in de Grote Kerk, terwijl er afgesproken was
dat daar alleen de vele beelden en altaren voorzichtig zouden worden weggehaald.
Er ontstond een ware beeldenstorm tot ergernis van burgemeester Jan Binnenblijf
die woedend de dronken beeldenstormers machteloos gadesloeg. De voormalige,
naar Duitsland uitgeweken pastoor van de Oosterkerk, Clement Maertensz.,
werd de eerste hervormde predikant van de Grote Kerk. Hij hield er zijn
eerste preek op 5 juli 1572. Alle kloosters werden in 1572-1573 (Hoorns
alteratiejaar) opgeheven verklaard. Sonoy zegevierde in 1573 en Bossu
onderwierp zich na zijn gevangenschap in het cachot van het Mariaklooster
aan de Prins. Gedwongen of vrijwillig verlieten veel geestelijken de stad,
sommigen werden per boot naar Amsterdam gebracht (dat altereerde pas in
1578), anderen zochten hun toevlucht in kloosters op het platteland zoals
“Nieuwlicht” bij Blokker, bij boeren of in de ‘veilige’
omgeving van b.v. Haarlem. Verscheidene kloosters werden gesloopt (b.v.
Sint Clara en Sint Maria Magdalena) of kregen een andere bestemming. Zoals
het St. Pietersdalklooster als oude mannen- en vrouwenhuis (de nieuwe
gevel is van 1692), het Caeciliaklooster als weeshuis, vanaf 1613 als
statenlogement en vanaf 1796 als stadhuis, waarna als VVV-kantoor e.d.
en het Mariaklooster in 1574 als burgerweeshuis (dat was opgericht in
1531); de kapel ervan werd munitiearsenaal, later parochiekerk, gereformeerde
kerk en kunstenaarscentrum.
Er waren ook priesters die vanuit een onderduikadres enige zielzorg bleven
uitoefenen. Toen de troebelen voorbij waren, werd de overheid die overigens
exclusief uit protestanten bestond, meer liberaal zodat er enkele schuilkerken
konden worden ingericht door en voor trouw gebleven katholieken.
De verdere geschiedenis van de Hoornse protestantse gemeenten valt buiten
het bestek van dit artikel.
Kort
na 1600 waren er in Hoorn drie schuilkerken: de eerste was van de Jezuïeten
zoals de paters Arboreus (Adriaen Boom), Clingerus, Romeus enz., in 1608
gesticht door pater Gerardus Florentii onder de naam ‘Het Klooster’.
Die naam herinnerde aan het voormalige Agnietenklooster dat op dezelfde
plek (aan de noordzijde van de Peperstraat) had gestaan. De laatste pastoor
van Het Klooster was tot 1702 in de bediening; het convent werd gesloten
in 1730. In 1623 stichtte pater Engelbertus de Hollander S.J. een tweede
Jezuïetenstatie in de woning van een zekere Thecla Klaassen: die
heette de Kapel en bleef bestaan tot 1656. In dat jaar werd deze locatie
vervangen door een nieuw kerkje aan de noordzijde van het Gerritsland
onder leiding van Johannes Neefs S. J. Het heette ‘Het witte Lam’,‘De
Lamskerk’ of ‘De Peperstraatkerk’, dit laatste omdat
daar de ingang was via het zgn. Lamspoortje. Deze statie bezat nogal wat
huizen aan de zuidkant van de Peperstraat en naast het kerkhof van de
Grote Kerk. In 1708 moesten op last van de Staten van Holland alle Jezuïeten
de provincie verlaten, maar de enige nog overgebleven pastoor (die van
De Lamskerk) wist zich te handhaven, ook al werd in 1720 het bevel streng
herhaald. Men trok zich een jaar terug maar was in 1721 al weer actief
en de pastoor werd opgevolgd door nog drie volgenden (met een onderbreking
van 1740 tot 1746) tot de statie werd opgeheven in 1776. De laatste Jezuïeten
waren toen al drie jaar weg.
 |
 De
tweede schuilkerk was van de saeculieren. Er waren er eigenlijk twee:
sinds 1611 die van pastoor Gerardus Eenhuysen in het pand ‘De
Drie Kalfjes’ aan de oostkant van het Nieuwe Noord (tussen Duinsteeg
en Breed). Deze schuilkerk werd nog gerestaureerd in 1821. Van ongeveer
dezelfde begintijd (1617) stamt de Slijksteeg-kerk van pastoor Nicolaas
Lonius. Die was eerst een pakhuis geweest en stond aan de zuidkant
van het straatje. De pastorie was aan het Kleine Noord, het tweede
huis bezuiden de Slijksteeg. Beide schuilkerken van de wereldgeestelijken
hadden Cyriacus als patroon. De eerste werd gebruikt tot 1827, de
tweede tot 1828. |
| hier stond de nieuwe noord-schuilkerk |
boven: locatie van slijksteeg-kerk |
 |
de monnik Tyras op stro opgebaard in de drie tulpen
(3 sept. 1638) |
 |
De
derde was de Franciscaner ‘kerk’ aan het Achterom, waarvan
de achterkant met het priesterkoor reikte tot aan de gevels van drie herenhuizen
aan het Grote Noord. Eén daarvan was ‘De Drie Tulpen’
genaamd. De beroemde pater Jacobus Tyras O.F.M. (1594-1638) was daar al
dienstdoende vanaf 1622 -hij ging er wonen in 1630-, maar de kerk begon
‘officieel’ in 1632. De pastoors daar hebben bijna altijd
een of meer kapelaans (formeel ‘socius’ genaamd) gehad. Het
Achterom heette in het begin nog Burgwal. In 1688 kocht pastoor Rombouts
het naast de kerk staande pand, ‘De Passementen’, dat eerst
enige tijd als apart kerkje werd gebruikt. In 1715 kocht men nog meer
buurthuizen om er in 1755 één grote kerk van te maken.
het franciscus-orgel, later zijn vier registers ervan opgenomen in het Maarschalkerweerdorgel van de koepelkerk
Het
orgel was er al in 1730. De Drie Tulpen-gevel werd gerestaureerd, de gevelsteen
-van vóór 1632, nu in het Westfries Museum- kreeg een ereplaats,
de pastorie kwam beneden (aan het Achterom). De deftige Franciscuskerk!
Maar in 1868 werd de aparte parochiestatus van de Achteromkerk opgeheven
en was er voortaan in Hoorn één parochie onder leiding van
de pastoor van de Achterstraat. De Franciscuskerk was nog tot 1878 in
gebruik als bijkerk, o.l.v. een kapelaan. Sic transit….
Elk
jaar moest het in de zeventiende eeuw door de burgerlijke overheid opgerichte
college van rooms-katholycke kerkvooghden duizend gulden betalen aan het
stadsbestuur om in vrijheid, maar niet in het openbaar, de Roomse eredienst
te mogen laten uitoefenen. Tevens zat daaraan de toestemming tot de admissie
van dienstdoende geestelijken vast. Dit college trad in de achttiende
eeuw tamelijk zelfstandig op, wat betekende dat de geestelijkheid het
er soms in materiële zaken mee aan de stok kreeg. Sinds 1800 maakten
de katholieken zich steeds meer los van de burgerlijke overheid en na
het herstel van de hiërarchie in 1853 waren de pastoors weer baas
in eigen huis door de scheiding van kerk en staat.
In
1825 deed pastoor A. Steinbach van “De Drie Kalfjes” een verzoek
aan het gemeentebestuur om “Het Arsenaal” van de Achterstraat
(de voormalige kapel van het Mariaklooster) met de ernaast gelegen muntmolen
en het huis van de muntmeester, gelegen op het terrein van het voormalige
Catharinaklooster, te mogen kopen ter vervanging van de te kleine en voortdurend
onderhoud vragende Kalfjeskerk. Dat het protestantse burgerweeshuis (1574-1958),
indertijd van het Grote Oost (1531(of 1538)-1574) naar de Achterstraat
verhuisd en gevestigd in het oude Mariaklooster, buur zou worden van een
Roomse kerk werd niet als een bezwaar gevoeld (het katholieke wees- en
armenhuis, bijgenaamd “De Barmhartigheid” (sinds 1770), het
latere St. Jozefhuis (tot 1964), was op het Achterom tegenover de Franciscuskerk)
en de gemeente ging in 1827 akkoord.
links de kerk (achterstraat), rechts de pastorie (muntstraat)
De koopsom was 2000 gulden voor het muntmeesterhuis, de rest gratis.
De zolder van de muntmolen, vroeger kapel van het Catharinaklooster, zou
weer kapel worden en tevens als sacristie worden gebruikt en de jarenlang
(1568-1799) als munitieopslagplaats gebruikte Mariakapel hoofdkerk van
de Cyriacusparochie(s). Precies in dat jaar stierf de laatste Slijksteegpastoor,
F. van Crimpen. Er werd geen nieuwe pastoor meer benoemd en onder druk
van vice-superior Chamberlani en Koning Willem I werden kerk en pastorie
in 1828 verkocht voor ruim 2026 gulden. De parochianen werden verondersteld
in de Achterstraat te gaan kerken, maar deden dat liever op het Achterom,
dat was deftiger!
Want in Hoorn waren er in het midden van de negentiende eeuw nog twee
parochies: die van de wereldheren en die van de Franciscanen. Ze kregen
die status officieel -na de invoering van de bisschoppelijke hiërarchie
in 1853- in 1856. Daarvóór bestond er een zekere concurrentie,
vooral omdat de Achterstraat een glorieuze pastoor kreeg in Petrus Does
(1836-1862) die graag de aandacht naar zich toetrok en daar zelf een boeiend
verslag in het parochiearchief over heeft achtergelaten. In zijn benoemingsjaar
(1838) brandde de grote, nu hervormde kerk op het Kerkplein af. Men krijgt
niet de indruk dat pastoor Does daar erg onder geleden heeft: van oecumene
was in die tijd nog geen sprake. Na 1853 -de hiërarchie hersteld!-
kwamen er weer religieuze zusters naar Hoorn, in 1890 die van de Voorzienigheid,
voor sociale zorg. In 1867 voelde de pastoor van het Achterom, R. van
Ewijk O.F.M., zich niet langer thuis in Hoorn. Er werd geen opvolger ter
beschikking gesteld zodat de bisschop de parochie overnam en bij die van
de Achterstraat voegde.
Vanaf 25 juni 1868 bestond er dus één parochie met ruim
3000 parochianen, ongeveer eenderde van de Hoornse bevolking. Naast het
Armbestuur dat in 1872 parochiaal werd, was in 1863 de Vincentiusvereniging
ontstaan want het merendeel van de katholieken had het niet breed. Op
4 november 1865 werden er door deze vereniging drie Tilburgse zusters
van Liefde naar Hoorn gehaald om een katholieke bewaarschool te beginnen,
uiteindelijk aan de Ramen. In 1870 volgde de lagere school in de Gravenstraat,
eerst gemengd maar na de inwijding in 1874 alleen voor jongens; de meisjes
konden in een bijgekocht pand aan de Ramen terecht. Bovendien kreeg de
parochie in 1871 een eigen kerkhof aan het einde van de Drieboomlaan,
met een kapel en een structuur naar tekeningen van de opkomende Hoornse
architect A. C. Bleys. In 1877 zou de Achterstraatkerk -door brand geteisterd-
verlaten worden en in handen komen van de gereformeerden die er van 1881
tot 1968 in hebben gekerkt.
Bleys’
beroemde Koepelkerk die nu het silhouet van Hoorn bepaalt, heeft een wonderlijke
voorgeschiedenis. Op zondag 1 juli 1877 werd pastoor M. G. Scheefhals
in de pastorie van de Muntstraat door een van zijn dienstmeisjes gewaarschuwd
dat er volk op het dak van de kerk was. Het was een kwajongen van het
weeshuis die voor straf niet weg mocht en zich verveelde. Een uur later
belde politieman Bakker in paniek aan bij de pastoor: De kerk staat in
brand! De jongen bleek een wespennest te hebben uitgerookt en het vuur
niet goed te hebben gedoofd. De kerk werd ernstig beschadigd. En dat terwijl
de parochianen er al meerdere keren op hadden aangedrongen dat er plannen
voor een nieuwe kerk gemaakt moesten worden: de Achterstraat was geen
visitekaartje voor de éne grote Hoornse parochie die, nu er weer
bisschoppen waren, zich niet meer hoefde schuil te houden. Men besloot
op 23 december 1877 tot een nieuwe kerk op het Grote Noord: de grond zou
zijn die van de Franciscuskerk die om moest. Het altaar ervan kan men
nog steeds zien in het Westfries Museum. Adrianus Cyriacus (!) Bleys werd
de architect, D. Tool de aannemer. Intussen verbrandde in 1878 op het
Kerkplein ten tweeden male de Ned. Hervormde kerk, nu die van Zocher,
door blikseminslag. De eerste steen van de Koepelkerk werd gelegd door
de veertienjarige Pietje Schermer op 16 maart 1880.
 Van
Bleys (1842-1912) zijn vijf bijzondere dingen te vertellen: hij was opgeleid
in Antwerpen en had enige tijd contact met de beroemde Pierre Cuijpers
(1827-1921), de neogoticus van Roermond, die o.a. het Rijksmuseum, het
Centraal Station en de Willibrorduskerk van Amsterdam op zijn naam heeft
en ervan overtuigd was dat koepels in het drassige Holland niet te houden
waren. Bleys was het daar niet mee eens en verliet zijn ‘leermeester’.
Inmiddels weten we dat het feit dat de Koepelkerk een koepel kreeg, betekende
dat de kerk later extra ondersteuning nodig had. Een tweede bijzonderheid
is dat Bleys de Hoornse Koepelkerk later heeft gebruikt als een soort
demonstratiemodel voor zijn sollicitatie om de Amsterdamse Nicolaaskerk
te mogen bouwen, wat hem gegund werd in 1882. Die bouw duurde van 1884
tot 1887. Hij verhuisde in 1880 naar Amsterdam waar hij tot 1900 gewoond
en gewerkt heeft. Hij was omstreden maar werd ook hooggeacht, b.v. door
zijn leerling Jan Stuijt (1868-1934) die o.a. het derde seminarie Hageveld
in Heemstede bouwde. Een derde vermeldenswaardigheid is dat hij in Hoorn
veel meer op zijn naam heeft: allerlei huizen en panden en, zoals ik al
vermeldde, ook het Roomse kerkhof aan de Drieboomlaan staan op zijn naam.
Ten vierde: bij de bouw van de Koepelkerk is de aannemer Tool failliet
gegaan omdat Bleys een soort marmer (“Nassauws”) had voorgeschreven
en in het door het kerkbestuur geaccordeerde bestek had gezet waarvan
hij beweerde dat het gemakkelijk en goedkoop uit Duitsland kon worden
gehaald. Dit bleek niet het geval te zijn, maar de opdrachtgever eiste
wat er in het bestek stond. Tool moest leveren en is eraan ten onder gegaan.
Tenslotte: het is met Bleys na zijn succesjaren bergafwaarts gegaan: hij
heeft nog veel kerken in verschillende stijlen gebouwd, maar dan zonder
koepel, en is uiteindelijk vanaf 1903 schoolopziener bouwzaken geworden
in Den Bosch tot hij in 1912 nogal gefrustreerd stierf in het Liefdesgesticht
te Kerkdriel. Hij werd begraven in Amsterdam, op het kerkhof van De Liefde.
Naast
het Wees- en Armenhuis op het Achterom, waar later de Jozefschool kwam,
was plaats voor een noodkerk tijdens de bouw (1878-1882). Voorlopig woonde
de pastoor nog aan de Muntstraat waar de door de brand gehavende pastorie
was opgeknapt. De nieuwe kerk moest niet te smal worden, daarom werd in
1878 ook de naast de kerk staande woning van de weduwe Willebrands gekocht
en afgebroken. Ten zuiden van de kerk kwam gelukkig het huis van Boldingh,
bewoond door burgemeester Van Dedem, te koop. Tegen de zin van pastoor
Scheefhals maar met instemming van de bisschop kocht het kerkbestuur dit
pand en zo was er dus een pastorie: Grote Noord 13. Bleys zette er in
zijn stijl in 1880 een nieuwe gevel in. Pastoor Scheefhals heeft er niet
gewoond: hij vertrok in 1879 naar Beverwijk. Er kwam een nieuwe pastoor:
Michaël van Rijn, maar wegens diens overlijden al in 1881 werd de
kapitaalkrachtige Nicolaas Johannes Smeulders (geboren in1836) de pastoor
die de schuldenlast van de parochie moest helpen dragen.
Dat
lukte mede door een grote schenking kort na 1880 die door bemiddeling
van Smeulders kwam van een religieuze zuster, freule Louise Melort, ambachtvrouwe
van Middelharnis. Uit dankbaarheid hangt haar waardige portret nog steeds
op de pastorie van het Grote Noord (Achterom 24A). Op 30 oktober 1882
was de consecratie van de Cyriacus- en Franciscuskerk door bisschop P.
M. Snickers. Pastoor Smeulders kocht als cadeau voor de parochie een herenhuis
aan de overkant van de pastorie als kosterswoning, koorrepetitieruimte
en vergaderzaal. In de kerk plaatste men in 1883 een deel van het oude
orgel van de Franciscuskerk (vier registers), door Bleys in samenwerking
met Maarschalkerweerd grondig hersteld en opgenomen in het grote nieuwe
orgel (definitief gerestaureerd in 2000). Er kwamen kruiswegstaties van
F. L. Stracke, in 1901 gevolgd door een geschilderde kruisweg van Frans
Loots. Een redelijke verwarming kwam er niet.
Ook
na Smeulders, die in 1892 naar Warmond vertrok, kwam er een tussenpastoor:
W. van Halen, in 1897 opgevolgd door de roemruchte J. H. Smeele die tot
in 1923 zou blijven. Hij kon vanaf 1910 beschikken over een nieuwe pastorie
naast de kerk, nu aan de noordkant op de hoek van de Gelderse Steeg. Daar
hadden de huizen voor moeten wijken van J. Bremer, G. (de) Groot en J.
Kemper en van een Gelderse Steeg-bewoner, kruidenier Zee. Maar
dan heb je ook wat! De architect was P. Snel, de aannemer J. Verberne
uit Spanbroek. In de oude pastorie vestigde zich notaris P. Bos en later
de Noorderbank en de familie Sernee (naast de goud- en zilverfabriek van
Roozendaal). Winkelier G. (de) Groot kreeg de kosterswoning -koster van
Baar verhuisde naar de Kruisstraat, later opgevolgd door Martien de Zwart-
aan de overkant van de kerk.
In
1913 gingen er zusters van Liefde werken in het nieuwe St. Jansziekenhuis
aan de Koepoortsweg, waar nu Lindendael is. In 1919 en 1920 kwamen er
twee klokken in de fronttorentjes van de kerk. Over pastoor Smeele zijn
we uitgebreid ingelicht door een grondig onderzoeker, J. M. M. Leenders,
die in een uitvoerig artikel, “De papieren kapelaan”, (Hollandse
Historische Reeks deel 3 -1985- blz. 199-246) beschreef hoe in de jaren
rond 1910 er allerlei katholieke verenigingen ontstonden in de parochie
-het was de tijd van de verzuiling-, vooral door de overijverige kapelaan
J. G. van Kelckhoven, die tussen 1905 en 1911 samenwerkte met de machtige
Herman Stumpel en het door hem twee keer per week uitgegeven blad “Onze
Courant” -in 1923 werd het een dagblad- waarin hij frequent publiceerde.
Genoemd artikel is op het tegenwoordige parochiesecretariaat verkrijgbaar.
Pastoor Smeele voelde zich door zijn kapelaans vaak overvleugeld, b.v.
door kapelaan Van Noord die veel gezag en populariteit onder de parochianen
had, wat Smeele zeer irriteerde, zodat hij veelvuldig klaagbrieven naar
de bisschop schreef. Daar kwam nog bij dat hij ook zeer veel last had
van Mevr. Sophie Bronsveld-Vitringa die als bekeerlinge en intellectuele
echtgenote van de directeur van de Rijks-HBS een vereerster was van de
prima predikant Van Noord en die opkwam voor de emancipatie van de vrouw,
wat haar een straatnaam in de Kersenboogerd heeft opgeleverd. Ze ging
voorop in de vrouwenverenigingen, werd Raadslid en zelfs, samen met Eduard
Stumpel, lid van de Tweede Kamer voor de R. K. Staatspartij.
Deken Smeele besteedde zijn tijd in die jaren liever aan de glas in lood-ramen
van zijn kerk en kon het met de conservatieve kapelaan Roozen heel wat
beter vinden. Hij stierf in 1923 in Hoorn en werd in hetzelfde jaar opgevolgd
door M. W. Wijtenburg. Tot 1928, het jaar dat de algemeen geliefde J.
P. Huibers, de latere bisschop, als pastoor naar Hoorn kwam. Die heeft
in de crisisjaren van die tijd de parochianen bemoedigd door zijn vroomheid
en Maria-devotie en met hen het gouden feest van de kerk, waarvan de funderingsbalken
in 1933-1934 noodgedwongen moesten worden verstevigd, gevierd.
Het zou 1993 worden voor er weer een zeer grondige restauratie, toen
onder toezicht van Monumentenzorg, werd doorgezet waarbij de pastorie
moest worden verkocht om de onkosten mede te kunnen dragen. Ook pastoor
Huibers bleef niet lang: eind 1935 werd hij bisschop en begin 1936 kwam
-slechts voor zes jaar, maar daarin brak wel de moeilijke oorlogstijd
aan- pastoor J. C. W. van de Wiel. Midden in de oorlog kwam er nog een
nieuwe pastoor, C. Kroft, maar pas toen P. L. C. van der Meer pastoor
en deken werd in 1943 begon voor de parochie een nieuwe spannende periode.
De hongerwinter, de onderduikers (tot in de koepel van de kerk!) en de
overgrote groep deelnemers aan de zondagse missen vroegen veel van zijn
krachten als parochiebestuurder. In 1949 was er al sprake van -opnieuw-
een tweede parochie. Toen die er was en op eigen benen kon staan, ging
hij, na nog de beperkte koepelkerkrestauratie van 1961-1964 te hebben
meegemaakt -de grote restauratie zou volgen in 1991-1993-, met emeritaat
(1965) om nog enkele jaren in de omgeving van Wittem te wonen. Daar is
hij ook gestorven; hij ligt begraven in de grafkelder van het Redemptoristenklooster
aldaar. De nu gepensioneerde superkoster van de kerk, Kees Wijnker, heeft
hem nog volop meegemaakt en kan veel over hem vertellen.
de kapel van maria van hoorn, tegenwoordig stiltecentrum genoemd
Voortaan,
vanaf 1969, waren de pastoors van Hoorn Centrum alleen hoofdverantwoordelijk
voor de binnenstad en de Grote Waal, zoals pastoor C. Groote (1965-1970),
H. Spruyt (1970-1974), E. van Poecke (1974-1980) en P. Spierings (1980-1983),
die trouwens bovendien de Risdam bediende. De pastores vormden vanaf 1
augustus 1970 een team van gelijkwaardigen. Vanaf de zestiger jaren heeft
men de Koepelkerk enigszins aangepast aan de moderne liturgie door een
zekere soberheid aan te brengen in de binnenversiering en een definitief
nieuw altaar te plaatsen waaraan men kon staan met het gezicht naar de
gemeenschap. In 1982 werd het honderdjarig bestaan van de Koepelkerk feestelijk
gevierd. Bij die gelegenheid kwam de boeiend geschreven brochure van Jan
Onstenk uit waaraan veel van dit artikel is ontleend. Van 1991 tot 1993
vond er onder Monumentenzorg en met inzet van de in 1985 opgerichte Stichting
Koepelkerk opnieuw een grondige kerkrestauratie plaats waarbij de pastorie
verkocht moest worden voor het onderhoudsfonds. Men kerkte tijdelijk in
de Lutherse kerk, iets wat in de eeuwen daarvoor ondenkbaar zou zijn geweest.
Veel parochianen en anderen bleven de kerk steunen, sommigen tot op de
dag van vandaag zoals de enthousiasteling Kees de Greeuw die door boekenveilingen
voor een flinke bron van inkomsten zorgde. Er kwam een vernieuwde pastorie
annex parochiesecretariaat aan het Achterom, “De Drie Tulpen”
gedoopt. Maar de pastores gingen privé wonen. Tijdens pastoor G.
Koning (1983-1995) werd besloten de twee Hoornse parochies toch weer tot
één te maken (1990) onder leiding van een team van pastores
die ieder hun eigen wijk zouden hebben in collegiaal verband. Zodoende
kwam
 |
elke wijk een eigen voorziening
resp. centrum, grote waal, noord,
risdam en kersenboogerd |
 |
er ook een eigen pastor (met pastoraal centrum maar zonder eigen kerk:
er werd gekerkt in een algemeen gebouw) voor de Grote Waal, de Risdam
en de Kersen-boogerd, resp. André Wesche/zr.Leone Meijer, Jan Admiraal
(krachtig gesteund door Koos en Rie Louter, Riet Katers en vele anderen)
en Wim Al c.s./Jan Admiraal. Zelfs het Venenlaankwartier had tijdelijk
een eigen pastor: Nico Essen die het koor “Pai Nosso” oprichtte.
Toen het aantal pastores moest worden ingekrompen, werd pastoor G. Weel
van de Engelbewaarderskerk vanaf 1996 pastoor voor heel Hoorn met Peter
Evers als pastoraal werker en in 2003 werd hij, schrijver dezes, opgevolgd
door Eugène Jongerden.
Op
15 april 1958 werd de Engelbewaardersparochie van Hoorn Noord, ook wel
genoemd de Poststraatkerk, officieel opgericht. Het idee was er, zoals
gezegd, al in 1949: de Grote Noord-kerk puilde uit. De bouwcommissie werd
in 1954 door deken Van der Meer in het leven geroepen: zij vergaderde
in het St. Jansgasthuis, neutraal terrein. Er kwam eerst een noodkerk
op het grote aangekochte terrein (15 januari 1958), die voor veel parochianen
van Hoorn Noord in goede herinnering is gebleven. De bouwpastoor die op
7 december 1957 was benoemd, E.J. M. Hupperetz (geb. 1908), had bijzondere
aandacht voor een creatieve vormgeving van de liturgie en wist veel enthousiaste
medewerkenden daar bij te betrekken, b.v. de fijnzinnige bloemengroep
van Mevr. Vermaat. Er werd al vanaf 1955 door velen geofferd voor de nieuwe
kerk: via allerlei acties wisten jongeren (vooral lieftallige meisjes)
haast iedereen te vinden die een bijdrage (meestal bij een bepaalde gelegenheid)
zou kunnen geven. De pastoor zelf boorde zijn eigen netwerk aan en ging
vaak (63 keer) ‘s zondags in buurtkerken preken om de mensen het
nodige uit de zak te kloppen. Via contactpersonen werd de nieuwe parochie
efficiënt georganiseerd. De voorlopige pastorie van de bouwpastoor
was een rijtjeshuis in de Loniusstraat (vanaf 21 december 1957, hij was
toen formeel nog kapelaan van het Grote Noord, de parochie en dus de pastoorsfunctie
zijn van 1958). Maar dat werd spoedig vervangen door een grotere woning
op de hoek van de Joh. Poststraat/Loniusstraat waar op den duur ook de
kapelaans en het personeel moesten kunnen wonen. De bouwcommissie was
vanaf 10 juni 1957 druk bezig met de bouw (vanwege de verkeerssituatie
moest de kerk van de gemeente met het priesterkoor naar het oosten worden
gedraaid) en de eerste steen werd op 21 september 1960 gelegd door de
oud-pastoor van Hoorn, bisschop Huibers. De uiteindelijke consecratie
geschiedde op 29 september 1961 door de nieuwe bisschop J. van Dodewaard.
Het orgel was in juli 1961 feestelijk in gebruik genomen en de nieuwe
pastorie al bewoond sinds 27 juni van dat jaar. Er waren ruim 2500 parochianen.
De patronage van parochie en kerk viel toe aan de H. Engelbewaarders,
omdat de bouwpastoor in de oorlogsjaren, toen hij kapelaan in Rotterdam
was, had beloofd dat, als de naar Duitsland voor de Arbeitseinsatz vertrokken
jongens van zijn parochie veilig zouden terugkeren, hij, als hij ooit
een kerk zou bouwen, die aan hen zou toewijden. De kerk had achthonderd
plaatsen maar was, op de muren na, niet goed ondernomen. Spoedig na de
ingebruikname in september 1961, waarbij het gelegenheidsoratorium “Het
Beloofde Land” van componist-dirigent Jos Moeskops die in september
1958 was benoemd, werd uitgevoerd, moesten het dak en de daarin verwerkte
verwarming worden vervangen en de vloer begon na enkele jaren ongelijkmatigheden
te vertonen omdat eronder niet was geheid. Koster Toon van Kleef, aangesteld
op 7 april 1958, en penningmeester Piet Nooy deden er alles aan om te
sparen en de onkosten te beperken, de parochianen hielden elke maand de
duizend gulden-collecte, maar voorlopig was de kerk die nog een flinke
schuld met zich meesleepte, hoe goedkoop ook gebouwd, nog lange tijd net
als de Koepelkerk een schip van bijleg. Hupperetz werd op 17 augustus
1962 regent van Hageveld. Zijn opvolger, pastoor B. P. M. Schoonebeek
(geb. 1912), kreeg een zware taak, omdat de grote, maar meestal arme gezinnen
veel werk en weinig inkomsten met zich meebrachten. Hij had wel de steun
van begaafde kapelaans als Jonker (‘59-‘64), van Dijk en Fijen.
Hij werd in 1967 opgevolgd door pastoor B. G. Stammeijer die slechts een
ruim jaar zijn werk kon doen en toen ziek werd. Hij verhuisde ter verzorging
naar Heemstede maar stierf kort daarna.
Vervolgens
heeft pastoor B.J. M. Quant vanaf 1968 veel jaren het pastoraat uitgeoefend.
Het was de tijd van het doorzetten van het Tweede Vaticaans Concilie en
de veranderingen in het pastoraal team. Hij dacht graag modern maar hield
van een klassieke levenssfeer (zie zijn ex-libris). In 1984 ging hij met
emeritaat (hij stierf in Heemstede-Haarlem in 1989) en werd opgevolgd
door pastoor G.J. I. Weel die met instemming en medewerking van velen
het kerkgebouw tussen 1987 en 1991 grondig vernieuwde o.l.v. een bouwcommissie
die geleid werd door de bouwkundige parochiaan P. Schoon. Daarvoor moest
de helft van het kerkplein verkocht worden voor huizenbouw. En de pastorie,
die evenveel opbracht. Het bisdom steunde de plannen en vulde het nodige
aan, vooral toen bleek dat veel vrijwilligers de handen uit de mouwen
staken en de actiefste parochiane, Mevr. Annie Wester-de Vries, via sponsorfietstochten
het nodige binnenbracht van royale sponsoren. De pastorie werd uiteindelijk
gekocht door de pastoor zelf, zodat hij er na zijn emeritaat in kon blijven
wonen. Er werd in de pastorietuin een nieuw huis bijgebouwd, zodat er
nu een communiteit gevestigd is onder leiding van een particuliere stichting,
de Margrietstichting genaamd, beheerd door de familie Weel. Het
kerkgebouw is nu geheel anders ingericht: tussen de stevige, verhoogde
en goed onderheide vloer en het gerestaureerde dak zijn er meerdere ruimtes:
allereerst de kerkruimte, nog altijd goed voor een vierhonderd personen
die kunnen zitten of knielen, verder een grote zaal voor ontmoetingen
en grotere bijeenkomsten. Dan een kleinere vergaderzaal en een royale
koorrepetitieruimte dicht bij het orgel. Bij de ingangshal met toiletten,
keukenvoorziening en garderobe is “aan de rustige kant” een
ruim uitvaartcentrum uitgevoerd met eigen ingang, verzorgingsruimte en
opbaargelegenheid voor drie overledenen. Ook de tussenpastorie is geheel
opgeknapt: er is daar een pastorskamer, een sacristie, een keuken met
toilet en kasten en nog een kleine vergaderkamer. Al met al een modern
en bruikbaar geheel met liturgische en sociale doelstelling, toekomstgericht.
Dirigent-organist Jos Moeskops heeft inmiddels de steun van organist-dirigent
Mark Heerink. Zij verzorgen nu vaak ook de liturgische gezangen in de
Koepelkerk. De onderhoudsploeg o.l.v. de heer Cor Schaap heeft in 2004
nog een verbeterde Mariahoek gerealiseerd en ook de buitenkant van de
kerk wordt prima onderhouden tot op de dag van vandaag. Binnen het gebouw
werkt een grote groep vrijwillig(st)ers onder leiding van Cora Visser-Smit.
Sinds
2003, het jaar dat pastoor Weel gepensioneerd werd, is de parochie meer
in contact gekomen met de buurtparochies van Zwaag en Blokker. Noodgewongen,
omdat er minder pastores beschikbaar zijn en samenwerking ook bezuinigend
kan werken in andere opzichten. De nieuwe pastoor, E. Jongerden, staat
nu voor de taak om leiding te geven aan het grotere geheel, maar zijn
klerikale en niet-klerikale medewerkenden steunen hem en elkaar om er
het beste van te maken. Tegenwoordig is de geschiedenis van een parochie
steeds minder de geschiedenis van kerkgebouwen en pastoors. De kerk, wij
samen!
Binnenkort
één parochie voor Groot-Hoorn? De Hoornse katholieke geloofsgemeenschap
moge in oecumenische samenwerking met zowel de protestanten als de moslims
nog vele jaren tegemoet gaan!
O. L. Vrouwendag (Maria Lichtmis) 2 februari 2005 |
Lijst van pastoors van de statie aan het Nieuwe Noord, in 1827 opgeheven en opgegaan in de statie Achterstraat, vanaf 1877 gevestigd aan het Grote Noord (Koepelkerk).
Lijst van pastoors van de statie Slijksteeg.
In 1827 is deze statie opgeheven en opgegaan in de statie Achterstraat.
Lijst van pastoors van de statie De Drie Tulpen aan het Achterom (Franciscanen).
Deze parochie is in 1868 opgeheven; kerk en pastorie zijn overgedragen aan het bisdom Haarlem. De parochianen hoorden voortaan bij de Achterstraat.
Ingesprongen namen zijn van kapelaans of assistenten.
Lijst van pastoors van de statie Het Klooster (Jezuïeten).
Lijst van pastoors van de statie De Kapel (Jezuïeten).
Lijst van pastoors van de statie 't Witte Lam (Jezuïeten).

|
|
|