lll "Hadrianus
VI. sive Analecta Historica etc."
A De
Opbouw van het Werk
Het
boek is maar één keer uitgegeven, maar die ene keer werden
dan ook kosten noch moeiten gespaard. De zware band heeft in de rug een
verkorte titel: “Hadrianus Sextus Burmanni” en een siervignet
op de voor- en achterkant: een bloemenmotief met een leeg ovaal erin uitgespaard
(zie de afbeelding na de slotbeschouwing van deze scriptie) . Tegenover
de titelpagina -Post wijst op het eigenaardige “Trajectino”
i. p. v. “Ultrajectino”of “Trajectensi”, maar trof
dat ook aan bij A. Bucelius en A. Matthaeus (Dancwerk, pag. 235)- bevindt
zich een paginagrote gravure van Wandelaar (linksonder: “J. Wandelaar
inv. ac fecit”) waarop men Adrianus VI ziet tronen. Twee engeltjes
met kleine lansen en een lauwerkroon omgeven boven de paus een sierschild
met “SPQR”: “Senatus PopulusQue Romanus”. Linksboven
zit vaag de figuur van vermoedelijk de wijsheidsgodin Minerva, met wereldbol,
scepter en helm. Rechts in het midden staat naast een engel met omlauwerd
hoofd en twee tafelen een bisschop met staf, mijter, bijl, fasces en een
schild met kruis erop. Links daarvan kan men misschien een ridderspoor onderscheiden.
Adriaan draagt de tiara, de cappa magna en de sleutels van Petrus. Onder
zijn voeten staat op de troonscabel: “Analecta Historica de Hadriano
Sexto P. R. (‘Papa’ of ‘Pontifice’ Romano) met vaag
daaronder ‘E Minima (re) Maxima’ (= Uit iets kleins komt het
grote”, van klein tot groot) en enkele personen uit een stoet. Deze
stoet doet enigszins denken aan de stoet die op het grafmonument van Adriaan
staat afgebeeld: de welkomststoet die hem van Ostia naar Rome begeleidde.
Aan de voet van de troon liggen enkele boeken en brieven, met daarnaast:
‘Trajecti ad Rhenum apud J. V. Poolsum MDCCXXVII’. De rechterhand
van Adriaan rust op de linkerschouder van een staande figuur die kennelijk
de jonge Karel V voorstelt: hij draagt ridderharnas, koningsmantel, rijksappel,
fasces en familiewapen op zijn rug, gulden vlies en kroon. Het is bepaald
niet een goed gelijkend portret: de befaamde verlengde kin van de andere
Karelportretten ontbreekt. De linkerhand van de paus rust zegenend op de
hoed en het hoofd van een kardinaal, volgens Else Hocks en haast alle anderen
die de plaat bekeken hebben Willem van Enckevoirt, met kardinaalsmantel
en –hoed, diepgebogen. Hier herkent men, volgens Hocks, het Imperium
en het Sacerdotium naast elkaar zoals Cusanus het heeft gezien en beschreven.
Op
de titelpagina zelf bevindt zich tussen “Burmannus.”en “Trajecti”
een kleinere afbeelding met rechts onder: “J. Goeree inv et fec ‘
(invenit et fecit)”. Hierboven ziet men tussen twee figuren met boeken
en lover een rond monument met in het midden een afbeelding van een godin
die lauweren plukt uit een boom, terwijl de drie eronderstaanden juichen.
Erboven staat: “Temp. Virt.” (Templum Virtutis?) en eronder:
‘Virtutis Gloria Merces‘ (Eer is de oogst van de inspanning).
Kennelijk een embleem van de uitgever. Zie de weergave op de eerste pagina
van deze scriptie.
De nummering van de bladzijden begint pas na de nu volgende Dedicatio, tot
daar zijn de pagina’s slechts gekenmerkt met cijfers en asterisken.
Eerst volgt een aparte bladzijde voor de kennelijk belangrijke opdrachtstekst:’Viris
nobilissimis, amplissimis et gravissimis, Isaac Ubing, et Johanni Petro
A Mansvelt, J. U. D. (=juris utriusque doctori(bus)), urbis Trajectinae
consulibus, ceterisque nobilissimis et amplissimis ejusdem urbis senatoribus
collegis honoratissimis. S. P. D (=salutem plurimam dicit -wenst alle heil-).
Casparus Burmannus.’

Met
bovenstaande sierletter Q begint direct na de genoemde opdrachtsbladzijde
de hier bijbehorende Dedicatio, zonder noten, tien en een halve pagina lang.
De inhoud ervan luidt, kort samengevat, aldus: “Utrecht heeft veel
grootheden voortgebracht op staatkundig en literair gebied. Toch is daar
door Utrechtenaren weinig over geschreven, misschien omdat de herinnering
wel via anderen levend zou worden gehouden. Maar de schrijver dezes wil
het voorbeeld van anderen volgen en de persoon van Hadrianus eervol presenteren
(“illustrare”, 2de pag. van de Dedicatio), ook al is bewijsvoering
moeilijk en ontbreken hem veel gegevens. In Adriaan gingen eruditie en vroomheid
samen, wat ook van invloed was op zijn politieke taak. Van geringe afkomst
zijnde, kwam hij tot het hoogste. De Italianen (-het Latijn kent geen lidwoord!-)
vonden hem een barbaar omdat hij niet ambitieus was, maar niet ten onrechte
werd hij met ‘sanctissime’ aangesproken. Er zijn wel meer pausen
geweest van lage komaf, maar deze werden nooit met minder ambitie paus.
Hij wilde de kerk verbeteren, de staten tot vrede brengen en de Turken verdrijven.
Hij kende geen pronkzucht of hebzucht, alles moest ten bate zijn van de
mensen. De Italiaande schrijvers liegen als ze zeggen dat hij als oude man
en paus wulps was (‘Veneri consecrasse’, pag. 6 van de Dedicatio);
hoe kan dat zijn als hij daarvóór altijd zo zedig door het
leven ging? Hij bracht verzoening tussen Ferdinand de Katholieke en Karel
van Oostenrijk, vrede onder de Spanjaarden –die hem, n.b. een buitenlander,
wel mochten- en Navarra terug onder Karel. Wel was hij toegewijd aan de
Roomse bijgelovigheden en fel anti-Luther, zodat veel Nederlanders dit boek
wel niet zo graag zullen lezen nu ze “ad meliora sacra” zijn
overgegaan (cfr.”puriora sacra”, 4de pag. van de Praefatio),
maar voor Adriaan moet een uitzondering gemaakt worden bij de veroordeling
want ook hij vond dat de clerus afgeweken was van de voorschriften der oude
kerk. Anders grootgebracht zou hij zeker niet zo op Luther gereageerd hebben.
Adriaan had de tijd tegen: de clerus was tegen hem, de christenvorsten waren
verdeeld, het Vaticaan verarmd, Italië in burgeroorlog en besmet door
de pest, de Turken in opmars. Hij had een té zware opgave, die hij
dan ook niet volbracht heeft. Maar terecht was het Utrecht-van-toen trots
op zijn pauselijke zoon. Daarom wordt dit boek aan u, magistraten van Utrecht,
opgedragen. U trekt graag geleerden aan, ik dank u voor mijn verkiezing
in uw college. De Allerhoogste (“summum numen’) zegene u.”
Burman sluit af met de datum: Kalendis Februarii MDCCXXVII, de begindag
van februari 1727.
Vervolgens
bevat het boek het voorwoord aan de ‘evenwichtige en welwillende
lezer’: Praefatio aequo et benevolo lectori, veertien en een halve
bladzijde, zonder noten, waarin een overzicht van inhoud wordt verwerkt.
Het komt -ingekort- hierop neer: De schrijver wil, zoals het hoort, verantwoording
afleggen van a) de volgorde der bewijsstukken en de verwerkte stof, b) de
reden tot uitgave, c) de gegevens over de schrijvers en d) het oordeel van
anderen over hen. Hij verzamelde veel over de goede Adriaan. Daarbij kwam
ook veel negatiefs boven: van Italianen en andere “papalis tyrannidis
acerrimi vindices”(= uiterst felle verdedigers van de pauselijke heerszucht).
In overleg met zijn eerbiedwaardige vader koos hij vooral wat tegen het
valse oordeel van de Italianen ingaat. Dus vooral Moringus, aangevuld door
Jovius en anderen. Hij kon niet alles bereiken ondanks naarstig speuren
en wilde de uitgave al uitstellen toen zijn vader hem duidelijk maakte dat
het zo altijd wel zou blijven en dat hij toch moest publiceren.
Het Vredeburg te Utrecht in de 18de eeuw
Om
in dit voorwoord alvast een indruk te geven van het werk schrijft Burman:
het boek van Moringus (+1556) werd gedrukt in 1536 te Leuven. Gegevens over
deze Leuvense theoloog wist hij te vinden bij Miraeus, Valerius Andreas,
Halma en Heussen. Hij was -dat bracht zijn functie en de tijdgeest mee,
vindt Burman- wel anti-Luther, maar schreef voor een Leuvens theoloog mooi
Latijn en hij was beslist zeer betrouwbaar, omdat hij een critisch onderzoeker
was. Paulus Jovius (1483-1552) was arts en biograaf van het pauselijk hof,
daar berusten zijn geschriften. Hij werd bisschop van Nocera de’ Pagani
in 1528 en likte de hielen van de Medici-pausen totdat hij door Paulus III
werd verbannen om zijn wereldse instelling. Hij schreef voorbeeldig Latijn
maar, zoals hijzelf eens bekende, met twee pennen, een gouden voor als het
over vrienden en begunstigers ging, een ijzeren voor stukken over tegenstanders.
Van hem zijn vele edities verschenen, b.v. de ook in Burmans boek opgenomen
De Vita Adriani VI in Florence 1548-1551. Hij leefde geheel in de sfeer
van de Medici zoals Leo X, schreef prachtig Latijn en was zeer goed op de
hoogte vooral vanwege zijn contact met van Enkevoirt, maar praatte naar
de mond van de regeerders en toonde vooral in zijn andere geschriften volgens
Burman sr. een “ingratum erga Hadrianum nostrum animum” (een
ondankbare instelling jegens onze Hadrianus) in tegenstelling tot Moringus.
Ook Onuphrius Panvinius (1530-1568) heeft veel over Adriaan geschreven,
maar omdat daarbij niets nieuws bleek te zijn, werd hij in Burmans boek
niet afgedrukt. Van hem is wel de korte vita op pag. 325-326. De “Conclave”
komt bij Struvius en Papenbroeck (1628-1714) vandaan. Dan volgt het reisverslag
van Blasius Ortiz die tot de kring van Adriaan behoorde en dus zeer goed
geïnformeerd was. Later werd hij vicaris generaal van Toledo. Reeds
Miraeus gaf het verslag uit en daarna Baluz die hier gevolgd wordt. Daarop
volgt de eerste uitgave van de Apocalypsis van Cornelius Aurelius van Gouda
(geboren in ongeveer
1460), de dichter, de vriend van Erasmus en de Moderne Devotie. Het stuk
is profetisch-biblistisch, goed van stijl, anti-clericaal en dus -zo ziet
Burman het - pro-Adriaan. Het zal 76 bladzijden omvatten in het boek van
Burmannus. Het wordt gevolgd door een aantal kortere teksten van diverse
auteurs, lovende gedichten en korte levensbeschrijvingen, die door de samensteller
van het boek in voorafgaande noten al van commentaar zijn voorzien. Dan
volgen enige brieven en gedichten van anti-Adrianen, die volgens Burman
alleen maar jaloers waren op de sobere Bataaf. Tenslotte enkele brieven
van, aan en over Hadrianus de paus alsmede een aantal archiefstukken waaruit
o.a. blijkt dat zijn ouders als Utrechtenaren heus niet zo armoedig waren.
Jammergenoeg
heeft hij, zo schrijft Burman, verder niets kunnen opnemen: het boek moest
naar de drukker op advies van zijn vader. Maar ieder die nog iets heeft
over Adriaan, sture het de schrijver toe. J. Wandelaar (delineavit, J. Houbraken
sculp.=sculpsit) heeft de afbeelding van Hadrianus VI als zegenende paus
(ingeplakt tegenover pag. 1 van Moringus) gemaakt naar het schilderij in
de St. Salvatorkerk te Utrecht, door een groot schilder te Rome gemaakt
(Burman noemt niet de naam van Jan van Scorel) en door de paus zelf naar
Utrecht gestuurd.” Ook het pauscollege in Leuven heeft er zo een.
 |
|
 |
| Intocht van Adriaan als paus in
Rome zoals uitgebeeld op zijn grafmonument |
 |
Ingang Anima-kerk |
Onder de genoemde afbeelding staat een gedicht van vier disticha, volgens
het handgeschreven onderschrift gemaakt door Petrus Burman en opgenomen
in diens Poësis, boek IV, pag. 339. In vertaling luidt het gedicht:
O Utrecht, aanschouw de uitzonderlijke jongen
die door uw beroemde grond werd grootgebracht
het sieraad van de zetel van Rome
aan wie deze topfunctie werd geschonken
door de vroomheid
en de aan het Bataafse volk ingeschapen eenvoud
waar de Italianen neerslachtig over morden.
Maar het geïrriteerde Rome liet niet toe
dat door deze rechtschapen en geleerde hogepriester
langere tijd de heilige rechten
aan de gelovigen werden teruggegeven
en door de dood van deze kuise priester te verhaasten
bracht het op de vakante troon
schandelijke persoonlijkheden terug. |
Op
de meteen na de Praefatio volgende bladzijde staat de inhoudsopgave. Deze
klopt met het in het voorwoord voorspelde; wel worden er meer namen genoemd
van degenen die een bijdrage hebben geleverd.
De
daarop volgende acht bladzijden worden besteed aan het door Abrahamus Arnoldus
van Toll gemaakte lofdicht in hexameters op Burman en zijn werk. Opvallend
is dat speciaal de noten van Burmannus in het opschrift vermeld worden (egregias
Adnotationes) en uiteraard de faam van zijn familie uitvoerig benadrukt
wordt.
Na
het opschrift bij Moringus (op een aparte bladzijze) volgen eerst nog een
phaleucium en een distichon op hem met een grafschrift op Adrianus van Cornelius
Musius van Delft. Vervolgens begint Moringus zelf met een opdracht aan kardinaal
a Marca van Valencia, ruim vijf pagina’s lang. Deze eindigt met de
plaats en de datum van schrijven: het Benedictijner klooster van St. Trudo,
eerste helft oktober 1536. Met een uitgewerkt festoen vol emblematische
symbolen: geplukte druiventros met hand, vogels, brandend en doorboord hart,
slang die zijn staart vreet, kop die ketting eet, engeltje (Cupido) met
pijl en boog dat doolhof torst met boom erin, vruchten, pot met bloeiende
tulp en bijen eromheen en twee spreuken: Una via est (Er is maar één
weg) en Latrat dum pateat (Hij/Zij is luidruchtig tot hij/zij zich opent),
zonder auteursnaam zoals altijd bij emblemata. Zie de wergave ervan aan
het einde van deze scriptie na de literatuuropgave.
Dan
begint Moringus’ Vita Hadriani VI: pagina 1. Burman grijpt het woord
‘natus’ in de tekst meteen aan om een lange adnotatio te geven
over de afkomst van Adriaan en voegt er tussen pag. 2 en 3 een grootse stamboom
aan toe, die volgens Post weinig waarde heeft (zie Post in op. cit. Dancwerc,
Groningen 1959). Een flink deel van pag.1, de helft van pag.2, heel pag.3
en de helft van pag.4 worden daaraan besteed. Dit is verreweg de langste
noot. De verdere annotaties komen ter sprake in hoofdstuk IIIa. De tekst
van Moringus is door Burman ingedeeld in 25 hoofdstukken (zie de zesde bladzijde
van de praefatio) en beslaat pag.1-82. Tussen blz. 80 en 81 is ingeplakt
een afbeelding van Adriaans grafmonument in de Anima-kerk. met erboven twee
munten, één uit Mantua en één uit het museum
van “Equ. Fr. Gualdj. (Equitis Francisci Gualdi), ontleend aan het
boek van Egidius Sadeler. De afbeelding zelf is volgens het onderschrift
door M. Greuter gemaakt voor Johannes Savenier. Onder de tekst van Moringus
volgt op pag. 82 hetzelfde wonderlijke festoenvignet dat al eerder werd
afgedruk na zijn opdracht aan kardinaal a Marca.
Op
pagina 83 begint het werk van Paulus Jovius met als opschrift: “Pauli
Jovii Novocomensis, episcopi nucerini, vita Hadriani Sexti.” De ‘praefatio’
tot kardinaal van Enkevoirt beslaat twee bladzijden: 85 en 86. Hij verwijst
erin naar het kunstwerk in de Anima-kerk en wil daar met zijn werk een literair
eerbewijs aan toevoegen. Hij weidt overigens meer uit over de kwaliteiten
van de toegesprokene dan over die van de besprokene. De eigenlijke tekst
loopt van pagina 87 tot 140 en is door Burman -zie de zesde bladzijde van
diens prae- fatio- verdeeld in zeventien hoofdstukken waarbij de Spaanse
periode iets uitgebreider wordt behandeld dan bij Moringus. Logisch omdat
politieke zaken hem meer interesseeerden dan de Leuvense geleerde. In het
voorlaatste hoofdstuk vermeldt hij met afkeuring dat er in Rome gezegd werd
dat de arts van Adrianus, Joannes Antracinus, in de nacht na diens sterven
door enkele uiterst uitdagende jongelingen een lauwerkrans op zijn voordeur
gehangen kreeg met in grote letters daarop geschreven: Liberatori Patriae
S. P. Q. R (voor de bevrijder des Vaderlands, namens Rome). Hij vermeldt
het opschrift dat op het eerste graf van Adriaan heeft gestaan, zonder auteursnaam:
Hadrianus Sextus hic situs
est, qui nihil sibi infelicius
in vita duxit, quam quod
imperaret. |
In vertaling: Hier is neergelegd Hadrianus de Zesde, die in zijn leven niets
als ellendiger beschouwde dan te moeten regeren.
En vóór het woord Finis en de reeds eerder gebruikte emblematische
voorstelling met het doolhof geeft hij nog het volgende eveneens anonieme
gedicht dat op het tweede graf was bevestigd:
Quam potes merito, optimoque jure,
Inter Pontifices Pios jacere,
Maximae pietatis, Hadriane.
Insignis pietas tua, Hadriane,
Viventi tibi profuit, decusque
Aurei diadematis paravit,
Jure id me hercule, at aequius, tuaeque
Certius pietatis hoc trophaeum est,
Defunctus quod honoribus tot, inter
Duos contigerit PIOS jacere. |
In vertaling: ‘Hoezeer kunt gij naar verdienste en met het zuiverste
recht van de allergrootste vroomheid, Hadrianus, gelegen zijn tussen vroomheidsnamen
dragende pausen. De u kenmerkende vroomheid, Hadrianus, heeft u voortgeholpen
bij uw leven en u het sieraad van de gouden diadeem bereid. Dit alles was
welzeker geheel terecht, maar rechtvaardiger en zekerder is dit overwinningsteken
van uw vroomheid, dat door een bij zijn dood van zoveel eervolle functies
ontlaste zal zijn gebruikt om tussen twee (echte) vromen te rusten.’
Men kan zich afvragen of van Enckevoirt door deze gekunstelde tekst te gebruiken
ook zichzelf heeft willen vereeuwigen en meer aan zijn eigen ‘ligging’
heeft gedacht dan aan die van Adriaan.
Burman
is bij de Joviustekst aanmerkelijk kariger met zijn noten, wat voor de hand
ligt, nu hij kan verwijzen naar Moringus en de aantekeningen aldaar. Bovendien
wil hij zijn objectiviteit hooghouden door deze niet-Adriaan-fan vrijelijk
aan het woord te laten. Hij wijst wel op verschillende slordigheden en geeft
veel nadere gegevens als er namen vallen.
Daarna
volgt “Conclave Hadriani Sexti”, zonder auteursnaam, pag. 141-152.
In de eerste noot (pag.141) vermeldt Burman dat een Conclave-tekst te vinden
is bij Struvius (Actores Literarii) en bij Papenbrochius (Propyleum ad Acta
Sanctorum mensis Maii) en dat Struvius er ook een vita bij schreef die hier
niet is weggelaten (hoewel ze direct op Jovius teruggaat) omdat er een penning
bij wordt uitgelegd die hem interessant lijkt. De conclave van Burman is
geconstrueerd uit de beide samen. In de erop volgende noten worden de varianten
tussen Struvius en Papenbroeck aangegeven. De penning zelf staat afgedrukt
op pag. 152: aan de ene kant de buste van Adriaan met tiara en borstschild,
naast hem twee wapenschilden (volgens Burman van de familie Dedel, zie pag.3
kolom 1) en eromheen:”M. Adriaen van God ghekoren paus van Romen T’Utrecht
gheboren.”, aan de andere kant: een moeder met vier jongetjes van
wie er een de (volle) borst krijgt en er een een soort molentje hanteert.
Tussen twee (Hollandse?) wolken in een vlak land. De penning is volgens
Struvius geslagen te Utrecht, maar Burman zegt haar nooit vermeld of getoond
te hebben gezien. In een tweede noot spreekt hij zijn verwondering erover
uit, dat Struvius veronderstelt dat Adriaan van geringe afkomst zou zijn.
Hij roept op tot grotere voorzichtigheid in deze.
Vervolgens
wordt er ruimte gegeven aan het “Itinerarium Hadriani Sexti”
van Blasius Ortiz, vicaris generaal van Toledo. Pagina 153 bevat het opschrift.
‘Summa fide collectum” staat erbij, terecht, Ortiz was er zelf
bij geweest, door Adriaan tot zijn kapelaan benoemd. Op blz. 154 staat de
opdracht aan de aartsbisschop van Toledo. Het is maar een klein werk, schrijft
Ortiz, maar de behandelde zaken zijn groot en memorabel. De tekst loopt
van pag. 156 tot 243 en is zeer schaars van noten voorzien. Het geschrift
werd uitgegeven in Toledo in 1547 en ook opgenomen door Miraeus. De 47 hoofdstukken
worden voorafgegaan door een inleiding (pag. 156-158) waarin hij diegenen
verfoeit die op het eerste graf van Adrianus hadden geschreven: ‘Hic
jacet impius inter pios’ (hier ligt de waardeloze tussen de eerbiedwaardigen)
en meent voorbij te kunnen gaan aan diens vóórpauselijke levensloop
omdat die gemakkelijk elders te vinden is.Hij wil meteen de eerste feiten
presenteren: de binnenkomst in Spanje van het bericht van Adriaans verkiezing
tot paus. Daarna werkt hij alle voorvallen systematisch af. Eén keer
staat er een kritische noot van Baluz (een latere uitgever die door Burman
gevolgd wordt) tussen (pag. 178), de andere, van Burman zelf, steeds eronder.
Hij voegt aan het vermelden van rooms-katholieke gebruiken soms uitgebreide
noten toe (b.v. blz. 208-208, 214-215), waarbij men zich af kan vragen of
daar zijn eigen interesse speelde of zijn dienstbaarheid aan de (waarschijnlijk)
protestantse lezers. In hoofdstuk 40 wordt de beschrijving van Adriaans
lotgevallen afgesloten. De laatste zeven hoofdstukken gaan over Ortiz’
terugkeer naar Spanje.
Vanaf
pagina 245 tot en met 319 staat afgedrukt de beroemde ‘Apocalypsis
Cornelii Aurelii Gaudani’. Het opschrift op bladzijde 245 doet al
een wat minder zakelijk werk verwachten. Het luidt in vertaling: Van Cornelius
Aurelius van Gouda de Openbaring en het wonderbaarlijke Visioen over de
betreurenswaardige staat van de Moederkerk en over de uitermate sterke hoop
op haar herstel vanwege de onvoorziene uitverkiezing van de allereerbiedwaardigste
heer, heer Adrianus de Utrechtenaar en aartsbisschop van de Spaanse landen,
een in alle opzichten uiterst geleerde man, tot hoogste priester van de
Romeinen, tot bruidegom van de kerk en tot plaatsbekleder van Christus.”
Aurelius kwam uit de Windesheimer kring, maar men vindt in zijn werk weinig
terug van de eenvoud van een Thomas a Kempis: het is een en al versiering
en allegorie. De “bonae litterae” hadden zich van hem meester
gemaakt, terwijl Erasmus, zijn vriend voor een tijd, ze meester was gebleven.
De verhouding was dan ook verkoeld. Erasmus stond aan de kant van Laurentius
Valla, Aurelius aan die van Balbus. Hij was dichter én historicus,
een gevaarlijke combinatie!
Een positiever oordeel over hem geeft echter Dr. J. Lindeboom in: “Het
Bijbels Humanisme in Nederland, Leiden 1913, pag. 122-130. Burman heeft
de tekst hier als eerste gepubliceerd: hij bevond zich bij Bonaventura Vulcanius
in de bibliotheek van Leiden. Volgens Burmannus (zie de tiende pagina van
de praefatio) komt er zoveel schandelijks in voor van de Roomse clerus,
dat dat wel eens de reden kan zijn geweest waarom dit werk niet eerder is
gepubliceerd. Maar zowel hij, de protestant, als Aurelius, de extreme humanist,
zullen ook hun eigen voorkeur bevredigd hebben bij het naar voren halen
van het falen van de clerus.Hadrianus wordt op deze wijze een schitterende
zon die de sterren verduistert. In de noten voegt Burman uitgebreide gegevens
toe over clericale toestanden, voorschriften van het kerkelijk recht en
conciliebesluiten. De glossen in margine zijn van een onbekende lezer van
het manuscript (zie de elfde pagina van de praefatio). Het boek was ook
bedoeld als advies aan Adriaan -Lindeboom dateert het:1523- maar deze zal
het wel niet meer gelezen hebben. Vooraf (blz. 247-250) gaat een brief aan
Cornelius Hoen over de moeilijkheden die de humanisten te verduren hebben
en het vermoeden dat zijn boek bij velen niet welkom zou zijn, tenzij Hoen
het zou verdedigen. De schrijver ondertekent met ‘Cornelius C Bt in
Donck’ en Burman drukt zelfs een soort facsimile af:
 |
Dan volgt een voorwoord van Aurelius aan de stad Utrecht (blz. 251-256)
om haat te feliciteren met haar grote zoon die paus werd en nog wel een
goede. Burman maakt van de gelegenheid gebruik om in de noten enkele citaten
uit Utrechtse magistratenacten te geven over de blijdschap aldaar om Adriaans
pauskeuze (blz. 252-254). Op pagina 256 en 257 staat een ‘prosopopeja
libri’, een lofdicht van het boek zelf dat schijnt te kunnen spreken.
Als op blz. 257 en 258 tenslotte nog de brief is afgedrukt die Aurelius
aan zijn familielid, prior Adrianus Leuwen, schreef om zijn goede bedoelingen
te verduidelijken, met eronder (blz. 258) een eenvoudig vignet (bloemen
en vruchten), begint het eigenlijke werk op pagina 259. Het bestaat uit
vier boeken, samenspraken tussen Apollo en Aurelius.
Boek I (blz. 259-266) geeft weer hoe Aurelius aan Apollo vertelt hoe
hij een visioen heeft gehad van een vrouw die hem haar verwoeste wijngaard
liet zien. Apollo legt hem uit dat dit een beeld is van de Moederkerk
die roept om Hadrianus.
Boek II (blz. 267-279) bevat het gesprek van Aurelius en Apollo over
de kwaliteiten van Hadrianus. Burman corrigeert soms via zijn noten en
voegt historische en kerkrechtelijke gegevens toe (b.v. priesteropleiding
blz. 273 en 274; residentieplicht blz. 275; simonie blz. 278).
Boek III (blz. 280-298) gaat over de schanddaden van de clerici, met
noten over kleding (blz. 280-281), haardracht (282), kansspelen (282-283),
dronkenschap (285), koophandel (283-284 en 297), twisten (284-285), rechtszaken
(285), carrière (288 en 290-291) en levenswandel (293).
Boek IV (blz. 299-314) behandelt de wandaden der hogere geestelijkheid
met adviezen aan paus en curie, concilie en keizer betreffende de zelfverbetering,
ketterijbestrijding, oorlog tegen de Turken en vrede tussen de vorsten,
met een adnotatio over kerkelijke winsten (blz. 300-301). Erin opgenomen
zijn een gebed voor de kerk (pag. 302) en een groet aan Adriaan (vanaf
blz. 304).
Op blz. 315-319 volgen nog enkele gedichten: een woord van Christus tot
Adriaan, een grafschrift, een gebed, een chronogram (als men de 5xD niet
meerekent krijgt men
IILCLCCIVICIIVIVMI=1523) en nog enkele grafschriften.
Daarna
staan er in Burmans boek vanaf pagina 320 enkele “Elogia illustriora”
en een aantal korte “Vitae”, beginnend met de oratio van Caelius
Calcagninus (blz. 321-324) zonder noten; dan een vita brevis van de al
eerder genoemde Ornuphrius Panvinius uit zijn boek “De Romanis Pontificibus
et Cardinalibus” (blz. 325-326) met als noot een brief van paus
Leo X aan Karel V met toezegging van een kardinalaat voor Adriaan (blz.
325); vervolgens een distichon en een weerslag van een rede over Adriaan
door dezelfde Onuphrius Panvinius zoals opgetekend door Boissardus: ‘Iconum
virorum illustrium (blz. 326-327). Tevens een lofbrief over Adrianus van
Jacobus Arminius aan Sebastianus Egbertus te Amsterdam (blz. 328) zonder
aantekening; een lovende tekst van Miraeus uit zijn ‘Elogia Belgica’
(blz. 329-330) en ook een uit zijn ‘De Scriptoribus Ecclesiasticis’(blz. 331); een stuk van Ludovicus Tubero (blz. 332); een gedicht van Locrius
(332-333); een tekst van Castaneus (333); een wat langer stuk van Sanderus
(334-338); een gedicht van Caspar Ursinus Velius (339-342) met distichon;
een bijdrage van Sweertius (342-343); een gedicht van Vrientius (343-344)
met een overzicht van Adriaans geschriften (344); twee gedichten van Barlaeus
(344-345); een tekst van Mallinckrot (345-347); twee teksten van Valerius
Andreas Desselius, professor aan het Buslidanum in Leuven (347-349 en
349-351); een bibliografie van Jacobus a Sancto Carolo (351-353). Verder
teksten van: Bellarminus (353); Saussaeus (353-354); Labbaeus (355-356
en 357); Hofmannus (358-359); Launojus (360-393); Loyens (394-395); Graevius
(396); Geeraerdt Brandt (de bekende historieschrijver 1626-1685) met een
stuk uit zijn ‘Historia Reformationis’ (397-402) en een uitgebreide
noot van Burman over het epitheton ‘naupegus’ bij Adriaans
vader (397). Daarin ook een brief van Adriaan aan Florentius Oem a Wijngaerden
(398). Dan volgen Freherus (403-404), Quenstedius (405), Olearius (405-406)
met bibliografie, Eccardus (406-427), een spotdicht van Sannazarius (428),
een smaaddicht met afbrekende prozatekst eronder van Johannes Pierius
Valerianus (428-430), een Italiaans spotdicht van Berni (430-435) en tenslotte
een stuk van Battus Parmensis (436-440). De laatste teksten zette Burman
erbij om zijn objectiviteit te bewijzen (zie pag. 428, noot 1 en de elfde
bladzijde van de praefatio). Erachter volgt weer het ingewikkelde vignet
met het doolhof van na de dedicatio.
Hierop
volgen nog: Brieven van en voor Adriaan (vanaf blz. 441). De eerste is
een Nederlandse (blz. 443-444), van Adriaan aan Evert Zoutenbalch, burgemeester
te Utrecht, met zegel, uit Mechelen, 1514, over een zakelijke aangelegenheid.
 |
 |
Adriaans zegel (in rode was) op zijn brief van 26 juni 1514 |
Het
zegel bevat de letters A F, wat wel Adriaen Florensz. zal betekenen. Dan
volgt een Latijnse brief (444-445) van paus Leo X aan Hadrianus, episcopus
Dertusensis, (1517), om hem enige politieke invloed te laten uitoefenen op koning Karel. De derde
brief is van Adriaan als kardinaal (1517) aan kanunnik Johannes Deel te
Utrecht (445-446) over o.a. de bouw van ‘Paushuize”. Dan komen
de volgende brieven: aan de theologische faculteit van Leuven, zonder
jaar ( 446-447), aan Mr. Florentius Oem van Wijngaerden, pensionaris van
Dordrecht, uit 1519 (448), van eerdere datum dan die welke bij Geeraerdt
Brandt was opgenomen, aan Mr. Laurentius du Bliou Graphiarius, 1519 (449),
van Leo X,1520 (450-451), van de geestelijkheid van Utrecht i.v.m. Adriaans
pausverkiezing (451-452), gedateerd 5 februari 1522, van de Utrechtse
magistratuur op dezelfde dag (452-453) met daarna de drie dankbrieven
van de nieuwe paus, gedateerd 1 mei (453-456), één apart
aan de kanunniken van de St. Salvator. Vervolgens een brief met aansporingen
van 1522 uit het werk van Joannes Ludovicus Vives uit Leuven (456-465),
een van Adrianus als paus (1522) aan hertog Frederik van Saksen (466),
een aan de Duitse vorsten te Neurenberg (1522) op pag. 467-472, een breve
aan Frederik van Saksen tegen Luther uit 1522 (472-483), een tegen Luther
aan het bestuur van Bamberg eveneens uit 1522 (483-487), een openbare
brief van Luther uit 1523 aan alle christelijke lezers (488-490), een
breve aan de inquisiteur van Como (1523) op pag. 490-492 en de briefwisseling
met Erasmus: een aan hem (1522; zie de uitgave van Allen no.1324) op pag.493-496,
een onvoltooide van hem (1522) op pag. 496-497 en nog een aan hem (1523;
Allen 1338) waarvan de taal wat vleiender is, op pag. 497-499. De laatste
antwoordbrief van Erasmus is afgebroken en ongedateerd (wsch. 1523) maar
staat er wel: pag. 499-504.Tenslotte de brief van Willem van Lochorst
uit 1523 aan het kapittel van de Mariakerk te Utrecht over Adriaans dood
(504-507) De afsluiting is weer het eenvoudige vignet van pagina 258 (zie
de volgende bladzijde van deze scriptie).
Op
bladzijde 509 staat het opschrift voor het laatste deel: “Monumenta
ad Hadriani Sexti papae familiam pertinentia”. Het blijken stukken
te zijn die met de hand geschreven waren en door Drackenborch bij Burman
bezorgd omdat er iets in voorkwam over Adriaans familie. Het zijn twaalf
stukken, zonder noten (blz. 511-522), afgesloten door een nieuw vignet,
afgedrukt onder de Inleiding van deze scriptie, met bloemen centraal en
koppen rondom (blz. 522).
Daarna
volgen nog de alfabetische Index Rerum et Verborum (pag. 523-540) en een
lijst van Errata (pag. 542).
 |
B De beoordeling van Adriaan door Burman zoals blijkt uit zijn redactie van de bronnen en de aantekeningen
Wat
Burman van Adriaan vond hebben we al enigszins gemerkt bij de weergave van
zijn Dedicatio en Praefatio, alsook bij de verdere analyse van zijn boek
in hoofdstuk III A. Men beseffe wel dat het hele werk is opgezet meer als
een monument ter ere van de grote Utrechtenaar die Adriaan volgens Burman
was, dan als een zakelijk historisch verslag (zie de tweede pagina van de
Dedicatio). Maar als achttiende-eeuwse geleerde was hij “objectief”
genoeg om veel materiaal van anderen -met naam en toenaam- aan te dragen
en weinig eigen stellingen op te dringen: hij laat de bronnen spreken en
die werken inderdaad in zijn richting. Het kiezen van de bronnen zelf kan
natuurlijk het beeld sterk beïnvloeden. Dit beseft Burman ook: hij
voegt nadrukkelijk een aantal ‘negatieve’ stukken toe om de
schijn van vooringenomenheid van zich te werpen (zie de elfde pagina van
de Praefatio en noot 1 bij blz. 428) overigens met soms toch enige accentuering
van de vooringenomenheid van de schrijvers ervan “die afgunstig waren
op ‘den Bataaf’, ‘die barbaar’ die zo zuinig was
ten opzichte van hen in tegenstelling tot zijn voorganger.” (zie de
elfde en twaalfde pagina van de Praefatio).
Toch
doet zich bij het kiezen van de ‘positieve’ geschriften, die
verre in de meerderheid zijn, een voorkeur voor: hij neemt vooral die teksten
op die Adriaan doen stralen tegen de achtergrond van de vervallen clerus
en curie -het sterkste doet dat Aurelius’ Apocalypsis- en relativeert
die nooit, integendeel: hij vult in zijn annotationes de minderwaardigheden
van de geestelijkheid aan of hij laat scherp het contrast werken tussen
de feitelijke toestand en de officiële kerkeljke voorschriften. Paulus
Jovius, die wat positiever staat tegenover de geestelijken van de Renaissancetijd,
zou een anti-Adriaan-mentaliteit hebben (zie de zesde pagina van de Praefatio),
de wetten van de geschiedschrijving vaak met voeten treden en dus onbetrouwbaar
zijn. Hij beseft, lijkt het, niet dat zowel Moringus als Ortiz nauw met
de leefwereld van Adriaan verbonden waren en dus als het ware in diens kamp
thuishoorden. Burman zegt alleen dat ze zeer betrouwbaar zijn en er veel
van af wisten (zie de vierde en zevende pagina van de Praefatio).
Typisch
is dat hij de anti-Luther-houding van Moringus hoofdzakelijk terugbrengt
tot de tijdgeest en de functie die hij bekleedde (personam quam sustinuit;
zie de zesde pagina van de Praefatio), terwijl Jovius’ anti-Adriaan-houding
niet wordt vergoeilijkt maar versterkt door de opmerking dat hij vanwege
de Como-praebende die Adrianus hem schonk hier nog niet eens zo gebeten
is op deze paus als elders in zijn geschriften (zie de zesde pagina van
de Praefatio). Blasius Ortiz wordt geprezen om zijn anti-Italiaanse houding:
“egregie Hadriani famam vindicat et fontes odii aperit et demonsrat”
(zie de zevende pagina van de Praefatio). Aurelius wordt van twijfelachtige
waarde geacht als exegeet en theoloog, maar het mooie woord ‘liberrime’
is nodig om zijn gehak op clericale wantoestanden te prijzen dat voor de
‘geleerde wereld’ van Burman ‘gefundenes Fressen’
zal zijn geweest (zie de zevende pagina van de Praefatio). Om de tegenstelling
clericale toestanden-Adriaan nog scherper te maken voegt Burman de kerkelijke
voorschriften toe waar Adriaan zich wél, de cleici zich níet
aan hielden. Maar Post weet wel beter, althans wat Nederland betreft: niet
alles was zwart onder de clerus (zie Dr. R. R. Post, Kerkelijke Verhoudingen
vóór de Reformatie, van ongeveer 1500 tot 1580, Utrecht-Antwerpen
1954 blz.549-553), niet alles was wit aan Adriaan.
Bijvoorbeeld
op het punt van zijn oordeel over kunst en de cumulatio beneficiorum (zie
voor de cumulatio bij Adriaan: R. R. Post, “Studiën over Adriaan
VI; de beneficies van Adriaan Florenszoon” in: Archief v.d. Gesch.
v.d. Kath. Kerk in Nederland, III, 1961, blz. 341-351). Burman geeft over
deze laatste kwestie (pag. 31, noot 4; blz. 32, noot 1; blz. 34 noot 1)
bij de tekst hierover van Moringus -die zich zelf ook al ‘verbosius’
(=tamelijk praatziek) vindt (zie blz. 34)- het volgende: ”Loujonus
bewijst –‘probat’- dat Adriaan toch trouw gebleven is
aan zijn Leuvense leer.”(blz. 31-32, noot 4) en “Bovendien kan
men altijd gedispenseerd worden (blz. 32, noot 1 in fine)”, wat in
Adriaans geval ook is gebeurd; het bezwaar tegen de cumulatio is dat daardoor
aan één persoon toevalt wat “multis literatis viris,
vitae puritate ac testimonio bonae famae pollentibus” die anders te
kort komen, de kost zou kunnen verschaffen (zie pag. 34, noot 1). En Adriaan
hoort natuurlijk bij die ‘literati viri’!
Het
verslag van de Venetiaanse gezanten waaruit het karakter van de Utrechtse
paus als hoogstaand maar niet bepaald sympathiek te voorschijn komt, zal
Burman wel niet gekend hebben (zie: Le relazione degli ambasciatori Veneti
al Senato durante il secolo decimosexto, ed. E. Alberti, Firenze 1839-1855).
Von Pastor, niet bepaald een vijand van Adriaan, wijst bij diens ‘Fehler’
ook op het gebrek aan contact met het Italiaanse volk (Geschichte der Päpste,
IV, 2, Freiburg im Breisgau 1907, pag. 51-55). Hadrianus heeft nooit een
woord Italiaans gesproken. Hierover bij Burman niets. Deze gebruikt zijn
annotationes om nadere gegevens te verstrekken of verwijzingen te doen over
personen of zaken waarvan sprake is. Zo gauw er een bevestiging van of een
aanval op het edele karakter van de paus voorkomt, vult hij aan of weerlegt
hij aan de hand van andere auteurs, b.v. over Adriaans karakter: pag. 39,
noot 1; tegen laster van zijn naam i.v.m. Battus: pag. 20-21, noot 1 + 2
en pag. 124, noot 1; over Italianen die zelfs beweren dat hij een Italiaan
was: pag. 77, noot 5 en pag.1-2, noot 1; ter verdediging van Utrecht en
zijn familie: pag. 2+3+4, noot 1, 3 en 1; over zijn opleiding: pag. 5 en
6, noot 1. Vooral op Battus Parmensis heeft hij het voorzien: pag. 14, noot
2. Als hij moet toegeven dat Adriaan een stijl van schrijven had die “horridum
et fere barbarum” genoemd moest worden, schrijft hij er meteen bij:
‘Hoc vitio seculi quo vixit, adscribendum est” (pag. 14-15,
noot 3) en hij citeert Adriaan volgens Erasmus: ‘Bonas literas non
damno, haereses et schismata damno’. (zie Erasmus, epistula MCLXXVI.)
Als
Moringus hem “perpetuo comis, humanus, benignus, submissus”
noemt (pag. 16), doet Burman er nog een schepje bovenop en vult aan: “semper
eadem animi moderatione sibi constiterit” (pag. 16, noot 1). Caspar
Barlaeus vergist zich volgens hem als hij de paus “timidior”
noemt: dat geldt meer voor zijn gezelschap en gaat alleen terug op de onbetrouwbare
Italianen die hem niet mochten (pag. 72, noot 2). Uit de noten bij de tekst
van Paulus Jovius blijkt dat Burman (en zijn lezers?) veel aandacht had
voor wat clerici wel en niet toegestaan was. Bij het verslag van Ortiz annoteert
hij veel over de voorschriften die de clerus en de militie betreffen. Bij
Aurelius’ Apocalypsis plaatst hij o.a. een uitgebreide aanvulling
over de priesteropleiding (pag. 273-274, noot 1). Hier en daar speelt ook
Burmans eigen levenspositie mee: Adriaan droeg volgens hem zijn verantwoordelijkheid
voor bestuurszaken vanuit een vrome achtergrond.
Samenvattend
kunnen we zeggen: Burmannus zoekt de eer van Hadrianus ten koste van die
van de Italianen en de geestelijkheid. Hij geeft ons veel inlichtingen over
kerkelijke regels en gewoonten. Negatieve teksten worden geplaatst, maar
bestreden. Wat hij aan negatiefs ontdekt bij de pro-Adrianen en bij Adriaan
zelf wordt geweten aan de tijdgeest of objectief vermeld (b.v. de cumulatio
beneficiorum in de Leuvense en Spaanse periode). Alles wat op Utrecht betrekking
heeft, heeft zijn bijzondere belangstelling, alsmede alles wat in de clericale
levenssfeer thuishoort. Burman is vooringenomen, zijn boek is duidelijk
bedoeld als eerbetuiging aan de Nederlandse paus, maar hij documenteert
zijn standpunt uitstekend. En inderdaad: hij heeft de door veel Italianen
en sommige protestanten verguisde Utrechtenaar in ere hersteld: na hem is
men Hadrianus Sextus, althans in zijn kringen, met andere ogen gaan bezien.
|
|
|