lHet Leven en de Tijd van Adriaan van Utrecht

Adriaan (of Adriaen, de spelling stond toen nog niet vast) Florenszoon, vaak bijgenaamd Boeyensz. naar zijn vaders vader, werd geboren op 2 maart 1459 in de Brandsteeg te Utrecht. Prof. Post heeft -na vele anderen- de familiegegevens zo exact mogelijk onderzocht (R. R. Post: “Adriaan Florenszoon, Familie, Opleiding” in: Dancwerc, Opstellen aangeboden aan D. Th. Enklaar, Groningen 1959) en kwam tot de conclusie dat zijn moeder inderdaad Geertruid heette. Maar hij bestrijdt de ook bij Burman voorkomende mening dat haar achternaam “Dedel” was of dat Adriaan langs vaders kant verwant was aan de in Utrecht bekende familie Dedel. Burman geeft er een uitgebreide stamboom bij (ingeplakt tussen blz. 2 en 3) maar in een bijgaande noot (3, blz. 2-4) spreekt hij toch ook zijn twijfel erover uit. Misschien kon hij zo de familie Dedel te vriend en zijn wetenschappelijk niveau in ere houden! Adriaans vader was “naupegus”, houtbewerker of scheepstimmerman, en reeds gestorven in of vóór 1469. In Utrecht waren toen al veel scholen voor kinderen, waarvan de kwaliteit waarschijnlijk leed onder de kwantiteit, en Post veronderstelt dan ook dat Adriaan al op vijfjarige leeftijd naar een betere school in Zwolle ging. Men heeft wel beweerd dat hij ook in Deventer en Delft is schoolgegaan, maar volgens Post is het eerste slechts een “fama” en het tweede onjuist omdat de Broeders van het Gemeene Leven daar slechts een convict hadden, waar geen intern onderwijs mocht worden gegeven. En alle getuigenissen stemmen erin overeen dat Adriaan aan die Broeders werd toevertrouwd. Zo was ook zijn levensstijl. Op de ‘schrijfschool’ in Utrecht ging het om lezen, schrijven en zingen, op de ‘stadsschool’ in Zwolle om Latijn en enig Grieks (=grammatica), logica (=dialectica) en wel- sprekendheid, muziek en katechese (=rhetorica). Het zogenaamde Trivium. Zo’n opleiding heette een ‘studium particulare’. Daarna moest men nog twee jaar, voor men ergens theologie ging studeren om geestelijke te worden, zoals Erasmus dat gedaan heeft. Maar men kon ook meteen naar de universiteit voor het “studium generale” dat “de artes” betrof, en studeerde daarna af óf in medicijnen óf in een of beide rechten óf in theologie.

Op zeventienjarige leeftijd werd Adriaan te Leuven geïmmatriculeerd: 1 juni 1476. Het eerste half jaar gebruikte hij om zijn Latijn en zijn logica af te sluiten (‘determinatio’). Tot februari 1479 studeerde hij voor het baccalaureaat (meer logica en natuurfilosofie), waarmee hij zijn artes-studie afsloot en de meesterstitel mocht voeren. Hij was toen negentien jaar en primus van zijn groep. Hij woonde in het convict ’t Vercken waar hij ook zijn verdere theologie-studie volbracht. De meeste lessen volgde hij in het H. Geestcollege terwijl hij intussen in eigen huis optrad als docent in de artes voor zijn beginnende medebewoners.

Vóór 30 juni 1490 moet hij priester gewijd zijn. Verder zijn de gegevens schaars
maar hij sloot zijn theologie-studie af in 1491. Normaalgenomen had zo’n student
vijf jaar nodig gehad om baccalaureus cursor te zijn -men volgde dan veel colleges van anderen- en drie jaar om te werken als baccalaureus sententiarius en biblicus door het boek der Sententiën van Petrus Lombardus en enkele bijbelboeken te becommentariëren. Na deze acht jaar was men baccalaureus formatus en ging men zich voorbereiden op het licentiaat in de theologie waarvoor vier jaren stonden. Die tijd gebruikte men om allerlei kwesties te bestuderen en te becommentariëren. Adriaan deed op 1 augustus 1490 licentiaatsexamen en doctoreerde op 8 juni 1491 waarmee hij zijn opleiding afsloot. Zie voor dit gedeelte van zijn curriculum: R. R. Post in Arch. voor de Gesch. van de Kath. Kerk in Ned., III (1961) blz.121-161.

Intussen had Mr. Adriaen allerlei eervolle en/of winstgevende functies
verworven:1488: lid van de senaat van de faculteit der Artes; waarschijnlijk begin
1490: hoogleraar theologie; vóór 30 juni 1490: kanunnik van de St. Pieterskerk in Leuven. Tussen 1490 en 1515 gaf hij colleges in de theologie en in die jaren overkwam hem het volgende: rector van de universiteit 1493-1494 en 1502-1503; lid van het hof van appèl: 1496,1497-1498 (dus een dubbeljaar) en 1500; deken van de theologische faculteit: meermalen, b.v. 1493; vice-kanselier en deken van de St. Pieter: vanaf 1497. In 1507 kreeg hij de uiterst eervolle functie van opvoeder en raadsman aan het Leuvense hof van Karel van Oostenrijk, de toekomstige keizer. Zijn werk aan de universiteit zal hij daardoor wel enigszins hebben moeten inperken.

Verder was hij al vóór 30 juni 1490 cappelanius primarius van het Groot Begijnhof, vermoedelijk met enkele zielzorgelijke verplichtingen. In 1492 werd hij pastoor van Goeree of Goedereede in Zeeland (sommigen zeggen: van Brouwershaven), een formele, maar betaalde functie en in diezelfde tijd vicaris van de St. Pieter van Utrecht, in 1504 kanunnik van de Utrechtse Dom, in 1511 kanunnik en thesaurier van de Utrechtse Mariakerk. In 1512 kreeg hij van de paus dispensatie om dit alles te combineren. Daarna werd hij in 1513 nog proost van de St. Salvatorkerk te Utrecht, in 1513 tevens deken van het kapittel van Anderlecht en proost van de kerk van Maubeuge. Zie voor deze beneficies het artikel van R. R. Post in het genoemde tijdschriftnummer blz. 341-351.

Beladen met deze titels, die niet altijd met werkzaamheden maar meestal wel met inkomsten gepaard gingen (zodat hij voor zichzelf een prachtig renteniershuis in Utrecht kon laten bouwen), ging hij in 1515 in opdracht van Karel V naar Spanje waar hem nog meer lasten (en aanmerkelijk minder lusten) wachtten. In 1516 werd hij bisschop van Tortosa, maar in zijn hart verlangde hij naar Utrecht terug te keren. Het geplande renteniershuis
kwam er wel, op de plaats van het oude bisschopshuis dat hij had laten afbreken, daar waar de Kromme Nieuwe Gracht en Achter de Sint Pieter samenkomen. Het werd een prachtige woning in rode bakstenen, later “Paushuize” genoemd en in het begin van de negentiende eeuw “L’Hotel de la Reine”. Het staat er nog. Maar Adriaan is er nooit binnen geweest.


paushuize in Utrecht

l

Quaestiones quotlibeticae XII (1515)

     

beschouwingen over zesendertig verschillende lastige onderwerpen, gegroepeerd
in elf clusters (één ontbreekt -over de simonie- waarvan alleen de titel wordt
vermeld) van één hoofdthema en meestal twee bijthema’s. Ze zijn zo eigenaardig
gestructureerd omdat ze de uitlopers zijn van de methode der oude openbare uni-
versiteitsdisputen. Ze gaan hoofdzakelijk over kwesties van moraal: de ergernis, de gehoorzaamheid aan de overheid, de eucharistie, de vrijwilligheid bij het zondigen, de belasting, de houding tegenover het bevel van een mens, de vrijwillige doodzonde, het gebed voor velen, de simonie (ontbreekt), de omkoopbare rechter, de laster, het boeten voor straframpen. Meestal wordt slechts een bijkomstig aspect van het thema behandeld.

Het werk is gemaakt tussen 1488 en 1515 en uitgegeven bij de universiteitsdrukkerij van Leuven in 1515.

         

ll

 

Quaestiones in quartum Sententiarum librum (1516)

       

meer een weerslag van Adriaans colleges, geschreven tussen 1499 en 1509 en buiten Adriaans medeweten uitgegeven bij Badius in Parijs. Dit boek bevat capita selecta van Adriaans theologie, gepresenteerd bij de behandeling van het vierde boek der Sententiën van Petrus Lombardus, dat over de sacramenten gaat. Het behandelt de doop (dogmatisch interessant is de uiteenzetting over de sufficiëntie van de fides formata), het vormsel (met een bekend geworden excurs over de niet-onfeilbaarheid van de paus), de eucharistie, de biecht en het huwelijk.

Het werk is dus uitgegeven bij Badius in Parijs in 1516.

         

lll

 

Commentarius sive Expositiones in Proverbia Salomonis, cap.I-XIII, 6, ongedrukt

       

bewaard in een groot-Adriaan-manuscript op het Groot Seminarie van Mechelen, deels als proefschrift gebruikt in 1491, deels geschreven in 1499.

         

lV

 

a: Responsa ad consultationes

   

b: Sermones

       

Het eerste werkje betreft practische adviezen in geestelijke en maatschappelijke zaken en het tweede geeft enkele preken van Adriaan gehouden bij verschillende gelegenheden.

Deze teksten zijn uitgegeven door E. H. J. Reusens in: Syntagma Doctrinae Theologica Adriani Sexti, Lovanii 1862.

         

V

 

Orationes Theologicae

       

Dit zijn hoofdzalelijk aulae doctorales, toespraakjes bij examens.
Ook deze teksten zijn opgenomen in het boek van Reusens.

Later, in Spanje, schreef Adriaan nog:

         

Vl

 

a: Sermo paraeneticus in computum hominis christiani agonizantis

   

b: Sermo de pertuso sacculo, sive de superbia

       

Dit zijn preken over resp. de voorbereiding op het sterven en over de
opgeblazenheid van de hoogmoedige.
Ze zijn uitgegeven bij Michaël van Hoogstraaten in Antwerpen in 1520.

Er wordt beweerd dat hij als kardinaal ook een leerboek Latijn (schrijven en spreken) heeft geschreven onder de auteursnaam Hadrianus Cardinalis.

Als paus had hij de hand in:

     

Vll

 

Regulae, Ordinationes en Constitutiones Cancellariae Apostolicae

       

Ook deze zijn uitgegeven bij van Hoogstraaten in 1522.

         

Vlll

 

Professio fidei et pollicitationes Adriani VI

       

Deze teksten zijn niet uitgegeven maar worden genoemd bij Burman, pag.351.

         

lX

 

Litterae et Breves Adriani Sexti

       

Deze zijn merendeels uitgegeven door M. Gachard in: Correspondance de
Charles-Quint et d’Adrien VI, Bruxelles, Gand et Leipzig 1859. Ook bij Burman,
pag. 441-499.

Een samenvatting van Adriaans werken kan men vinden in het genoemde boek van Reusens.

In Leuven, waar hij Erasmus onder zijn gehoor heeft gehad, heeft Adriaan in de strijd om het humanisme de bonae litterae niet zonder meer gepropageerd, hij was b.v. fel anti-Reuchlin, de Duitse humanist die zeer ver ging in het voorrang geven aan het kabbalistische Hebreeuws boven het patristische Grieks en Latijn en die daarom veroordeeld werd. Maar hij legde als theoloog de modernisering van de artes geen haarbreedte in de weg, wat wel blijkt uit zijn uitnodiging aan Erasmus om professor in Leuven te worden, waarschijnlijk in de artes-faculteit. Ook heeft hij zich -zelfs nog van Spanje uit- ingezet voor de totstandkoming van het Collegium Trilinque Buslidanum in 1517. Het Pauscollege te Leuven heeft hij laten
bouwen. Het is mogelijk dat Adriaan na 1511 regelmatig in Mechelen vertoefde aan het hof, misschien woonde hij daar zelfs. Maar van daar en van Spanje uit hield hij nog lange tijd contact met Leuven.


Karel als kind op een schilderij van 1879

Vanaf 1507 had Adriaan op verzoek van Margaretha van Savoye, de dochter van Maximiliaan, steeds meer zijn krachten ingezet voor de vaderloze Karel van Oostenrijk, haar neef. In 1515 kreeg hij de opdracht naar Spanje te gaan om daar de opvolging van Karel te verzekeren als Ferdinand van Aragon, die een voorkeur had voor Karels broer Ferdinand, zou overlijden. Adriaan is in Leuven altijd in herinnering gebleven, ook door het door Jan van Scorel gemaakte portret dat zich nog steeds bevindt in het Pauscollege aldaar waarvan Adriaan de stichter is.

Het is voor de latere historici moeilijk gebleken een op voldoende bronnen-onderzoek gebaseerd overzicht te geven van wat er zich vooral op politiek terrein in
de Spaanse periode van Adriaans leven heeft afgespeeld. Voor deze fase in zijn leven kan men nog het beste het boek van Else Hocks raadplegen: Der letzte Deutsche (sic!) Papst Adrian VI, uitgegeven in Freiburg im Breisgau in 1939. Het nog niet verschenen boek van Prof. Nissen zal waarschijnlijk over deze periode nieuwe gegevens verschaffen.

Ferdinand, de koning van Aragon, overleed in 1516 en kardinaal Ximenes de Cisneros, die het koningschap van Kastilië waarnam voor Johanna de Waanzinnige, de moeder van Karel van Oostenrijk, in 1517. Adriaan was inmiddels waarnemend koning voor Karel geworden, tot diens komst tegen het einde van 1517 en toen Karel, tot keizer gekozen in 1519, in 1520 naar Duitsland vertrok, werd hij benoemd tot onderkoning van Spanje. Karel had in 1517 Willem van Croy, heer van Chièvres, en enkele andere weinig bescheiden niet-Spanjaarden meegebracht om ze posten en privileges te geven, wat in Spanje een anti-stemming opwekte. Willem van Croy jr., een neef van de heer van Chièvres, bijvoorbeeld werd bisschop van Toledo. De Spaanse steden wilden meer zelfstandigheid, zoals onder Ximenes, en vormden een opstandige bond: de Santa Jura (1520-1522). Ze noemden zich “communeros” en stonden onder leiding van Juan de Padilla en zijn vrouw. Adriaan bracht troepen op de been, vooral tegen Segovia, om de opstand neer te slaan, maar moest zelf een keer uit gevangenschap in Valladolid vluchten en kreeg zijn gezag pas terug met behulp van de anti-Franse (Frankrijk steunde de steden) Grandes en twee door Karel benoemde helpers, een Connétable en een Admiraal waardoor de slag bij Villalar werd gewonnen.
Adriaan had in Spanje intussen op gezag van paus Leo X de volgende titels en functies gekregen: 1516 bisschop van Tortosa, kardinaal sinds 1 juli 1517, inquisiteur van Aragon en Navarra in 1517 en in 1518 tevens groot-inquisiteur van Kastilië en Leon. Zijn vriend en latere secretaris Dirk van Heeze werd president van het seminarie van Tortosa. In 1520 kwam in Alcala de Complutenser polyglotte bijbel uit met een door de paus goedge-
keurde tekst in Hebreeuws, Grieks en Latijn met lexicon en grammatica. Adriaan werd echter volledig in beslag genomen door de politieke moeilijkheden. Als theoloog en als priester moet hij het een verlossing gevonden hebben toen op 25 januari 1522 het bericht kwam dat hij op 9 januari tot paus was gekozen. De officiële bevestiging ervan kwam nog weer twee weken later.
Adriaan was toen bijna 63 jaar maar schijnt geen moment getwijfeld te hebben of hij de uitverkiezing zou aannemen. Hij voorzag kennelijk niet wat hem te wachten stond.


detail van Adriaans grafmonument

Leo X, Adrianus’ voorganger op de pauselijke troon die stierf op bijna 46-jarige leeftijd, was een Medici-paus, zoon van Lorenzo Il Magnifico, en dus mondain, levenslustig en partijdig. Adriaan was een buitenlander, zoon van de Moderne Devotie, niet uitbundig van karakter (“morosus” was zijn epitheton, “gemelijk”) en strict onpartijdig, ofschoon zijn verleden hem in dit opzicht verdacht maakte. Hij werd door de negenendertig conclaaf-kardinalen na tien stemmingen gekozen als noodoplossing toen het conflict tussen de Spaansgezinde en de op Frankrijk geörienteerde kiesgerechtigden onoplosbaar scheen. Hij was een compromis: zijn leeftijd (achteraf terecht werd hij als tussenpaus gezien) en zijn onwereldse karakter maaklten hem voor het kiescollege aanvaardbaar. Hij bleef nog een aantal maanden in Spanje, verzekerde zich via brieven alvast van het vertrouwen van de meeste kardinalen, van Hendrik VIII, van Frans I en van keizer Karel - mede door vooruitlopend op het protocol zijn “fiat” reeds in Spanje te openbaren - en reisde met ongeveer vierduizend man (volgelingen, medereizigers en militaire beschermers) in zijn gezelschap in een vloot van ongeveer vijftig schepen over zee langs de kust naar Rome, bij gelegenheid de kustbewoners aansporend tot een hoogstaander leven. Pas 31 augustus 1522 vond de kroning plaats in de St. Pieter. Van de meeste kardinalen had hij nog wel wat later mogen komen, maar er was veel nieuwschierig volk op de been toen hij door de stad naar de nog niet geheel voltooide nieuwe kerk boven het graf van de apostel Petrus trok.


Adriaan

Karel

Erasmus

Luther


Paus (H)adrianus VI zag zich gesteld voor een drievoudige taak: de vrede tussen de christenvorsten Karel van Spanje - Duitsland en Frans I van Frankrijk, de terugdringing van de Turkse Moslims die reeds Belgrado veroverd hadden, Rhodos bedreigden en uiteindelijk veroverden en zouden oprukken naar Wenen en last but not least het in de Moederkerk houden van Luther en zijn aanhang. Dit laatste probeerde hij door kritiek op beide partijen. Hij leefde zelf uiterst sober en trad streng op tegen de wereldse praktijken van de curie. Hij zond in november 1522 de bisschop van Teramo, Francesco Chieregati, met brieven, een breve en een indringende en schuldbelijdende Instructie naar de Rijksdag van Neurenberg die op 1 september was bijeengeroepen en op 22 november werd geopend, zonder dat zij (Adriaan en Chieregati) overigens de diepte van Luthers theologie die inmiddels in politiek vaarwater was gekomen, bevroedden. Hier wreekte zich Adriaans geestelijk verleden: het ging niet om moraal maar om dogmatiek: hij moest niet zozeer optreden vanuit de moderne devotie (dat ook) maar vanuit de bijbelse kritiek op de scholastiek. Hij dacht de zaak te kunnen redden met het doorvoeren van het Edict van Worms en met de “ reformatio in capite” in Rome. Daarom nodigde hij tot tweemaal toe Erasmus uit naar Rome te komen. Maar deze voelde zich nog bij het een noch bij het ander direct verantwoordelijk en reageerde alleen schriftelijk met een suggestie voor een soort concilie en een adviesraad van algemeen gerespecteerde en deskundige mannen uit heel Europa (niet te veel!) waar de paus niet op in is gegaan. In Neurenberg waren de partijbelangen van vorsten en theologen niet meer terug te dringen. Luther werd niet definitief in de rijksban gedaan zoals Adrianus had gewild.

In het conflict tussen Karel V en Frans I heeft Adrianus steeds een onpartijdige en vredestichtende houding aangenomen, maar toen zijn vertrouweling, kardinaal Soderini, bleek te heulen met de Franse koning (diens brieven werden onderschept door de anti-Franse kardinalen) moest de paus de verhoudingen zijns inziens wel recht trekken door Soderini gevangen te zetten en op 3 augustus 1523 toe te treden tot een defensieve Liga die (zonder Frans I) de Turken zou gaan bestrijden. Want die hadden in december 1522 Rhodos veroverd.

Inmiddels had Adrianus ook brieven en gezanten gezonden naar de kerken in Zwitserland, Scandinavië, Polen en Hongarije in verband met de reformatie. Met de bedoeling de ban van Luther en het edict van Worms te effectuëren. Maar zonder veel resultaat. Men had daar niet veel vertrouwen in Adriaans onpartijdigheid: reeds in Leuven had hij zich fundamenteel anti-Luther verklaard. Hij zag hem als een lastpost en besefte niet de diepgang van diens theologie. Wel verweet hij prelaten, curieleden en andere geestelijken hun wangedrag en hij bestreed hun praktijken met krasse maatregelen, maar verder stond hij bekend als niet erg doortastend: men gaf hem in Rome de bijnaam “Papa Videbimus” (paus “we zullen zien’) omdat hij zoveel uitstelde. Maar dit kan natuurlijk ook als voorzichtigheid worden gezien. Hij heeft slechts twee geestelijken heilig verklaard: aartsbisschop Antoninus van Florence en bisschop Benno van Misnië.

De plechtige bekrachtiging van de Liga op 5 augustus 1523 was voor de Romeinen een triomfdag, voor de paus zelf het begin van zijn einde. Hij werd ziek - de pest heerste
in Rome - en hield nog enkele weken het bed zonder veel kans op herstel. Toen zijn sterven zich aankondigde, drukte hij nog één kardinaalsbenoeming door (de enige van zijn pontificaat): die van Willem van Enckevoirt die hem een trouwe vriend was geweest en gebleven van zijn jeugd af aan en die hem ook in Rome als datarius had gediend. Paus (H)adrianus VI, Adriaan Boeyensz. van Utrecht, stierf op vierenzestigjarige leeftijd op 14 september 1523 om 14 uur.

Voor de jaren van Adriaans pausschap kan met verder raadplegen: L. von Pastor: Geschichte der Päpste, IV, 2, blz.25-157 (Freiburg im Breisgau 1907), C. von Höfler: Papst Adrian VI, Wien 1880 en A. F. Christoffels: Paus Adriaan VI, Leiden 1871. En het nog te verschijnen boek van prof. Peter Nissen!

Na een voorlopige begrafenis in de Andreaskapel onder de St. Pieter tussen de graftombes van twee Pius-pausen (“impius inter pios” zeiden zijn tegenstanders!) - de lijkrede werd gehouden door Koenraad Vegerius - werd Adrianus’ lichaam op 11 augustus 1533 door kardinaal van Enckevoirt plechtig bijgezet in het indrukwekkende grafmonument van Baldassare Thomaso Peruzzi van Siena in de Duits-Nederlandse Santa Maria dell’Anima- kerk achter het Piazza Novona in Rome. Giulio de’ Medici, onwettige zoon van de vermoorde Giuliano en als zodanig neef van Leo X, was hem opgevolgd als paus Clemens VII. Pas in oktober 1978 (na 455 jaar) durfde men het aan weer een niet-Italiaan tot paus te kiezen. Deze keer een Pool. En wie staat ons binnenkort te wachten?

Het Latijnse opschrift (een citaat van Plinius de Oudere (Historia Naturalis 7,106)): "Proh dolor quantum refert in quae tempora vel optimi cuiusque virtus incidat" luidt in vertaling: Ach, hoe droevig is het dat het zoveel uitmaakt in welke tijdsomstandigheden de inzet van zelfs de begaafdste mens terechtkomt.

 
 
     
Klik hier als u links geen menubalk ziet » Home |  © Gerard Weel |